Uitgelezen: Negentien negentien. Brief aan Aline Sax.

Gepubliceerd op 6 augustus 2026 om 13:17

Beste Aline,

 

Oorlog is gruwel.  Oorlog is de hel.  Dat weet ik.  En toch, toch heb ik nog boeken nodig om mij daaraan te herinneren.  Die nood aan herinnering heeft mij naar uw boek geleid.  Die nood aan herinnering deed mij uw boek lezen.   Bij de eerste zin van uw boek is het meteen raak.  U laat uw hoofdpersonage, Henry Bennett, zeggen dat hij wou dat hij gesneuveld was.  Omdat het dan makkelijker was geweest als zij om hem hadden kunnen rouwen.  Want gesneuvelden worden helden.  Overlevenden worden een last.  Met die ene zin verwoordt u mijn weerstand tegen oorlog.  Mijn afkeer van oorlog.  De verbrijzelde levens.  De beschadigde levens.  Die verbrijzelde en beschadigde levens zijn de reden waarom ik niet begrijp dat oorlogen toch nog begonnen worden.  Dat maakt mij kwaad.  Bijna razend.  Met deze brief wil ik evenwel geen pamflet schrijven tegen de oorlog.  Ik wil het hebben over uw boek.  Want dat heb ik gelezen.

 

In uw boek voert u mij terug naar negentienhonderd negentien.  Het eerste jaar na de Eerste Wereldoorlog.  Henry Bennett is terug thuis.  In Engeland.  De oorlog is voorbij.  Diezelfde oorlog moet vergeten worden.  Praten over wat geweest is, hoeft daarom niet.  Er gaapt een diepe kloof tussen degenen die thuisbleven en degenen die aan het front waren.  Dat ervaart Henry als hij terugkeert.  Hij wil terug deel worden van de maatschappij.  Dat blijkt niet evident te zijn.  Terwijl voor iedereen het leven zijn gewone gangetje ging, stond het leven van Henry stil.  De oorlog was voorbij maar toch voelde het leven thuis als een tijdelijk verlof.  Henry was het leven verleerd.  Henry vindt geen aansluiting meer.  Niet bij wie hij geweest was.  Niet bij wie hij had moeten worden.  De tijd lijkt stil te staan.

 

Terug in Engeland botst Henry op muren.  Muren van onbegrip.  Iedereen verwacht van hem dat hij opnieuw een volwaardig lid wordt van de maatschappij.  Dat hij opnieuw de dingen opneemt.  De dingen zoals die waren vóór hij naar de oorlog trok.  Want die oorlog was voorbij.  Business as usual, dus.  Geen gezever meer.  Geen geklaag.  Handen aan de ploeg.  Vooruit met het leven.  Maar dat lukt niet.  Er moet iets gebeurd zijn.  Iets dat blijft wringen en schuren.  Daarom moet Henry terug.  Terug naar Ieper.  Om in het reine te komen.  Om verder te kunnen.  Henry zegt dat hij enkel daar kan zijn.  Daar waar het front was.  Uit boetedoening, zegt hij.  Waarvoor hij dan wel boete moet doen, zal duidelijker worden naarmate ik vorder in uw boek.

 

Om dat te kunnen achterhalen, schakelt u in uw boek constant tussen 1917 en 1919.  Het jaar van de aanval bij Poelkapelle.  Het jaar van de terugkeer naar Ieper.  In de hoofdstukken over de slag bij Poelkapelle beschrijft u de gruwel.  U doet het op een dergelijke wijze dat het voelt alsof ik in de loopgraven zit.  Alsof ik het geratel van de mitrailleurs hoor.  Alsof ik het gekerm en getier van stervenden in het niemandsland hoor.  Alsof ik de geur van het slagveld ruik.  Een weeë lucht van verrotting en modder.  Van achtergelaten karkassen en verzonken lijken.  Alsof ik de inslag van granaten voel.  Alsof ik voel hoe ik in de modder getrokken wordt.  Hoe ik door diezelfde modder verzwolgen wordt.  Wat u schrijft, komt binnen.  Beroert.  Ontroert.  Ik moet bijna huilen om de doffe ellende, die frontsoldaten moeten ervaren.  Ik moet bijna huilen om de pure angst, die zich vastzet in hen.

 

Om die demonen onder ogen te zien en te bedwingen, keert hij dus terug naar Ieper.  Want die herinneringen zitten vast in het hoofd van Henry.  Die houden hem wakker.  Die doen hem in tranen uitbarsten.  Die maken hem razend.  Opnieuw moet hij strijd voeren.  Deze keer niet tegen een externe vijand.  Wel tegen een vijand die in hem zit.  Een vijand die hem in zijn greep houdt en bijna verstikt.  Tijdens zijn verblijf in Ieper komt hij steeds dichter bij dat ene moment.  Dat ene moment dat hij zo lang verdrongen heeft.  Weggeduwd heeft.  Hij komt opnieuw bij die ene daad.  Die ene daad in het niemandsland.  Tussen de eigen linies en die van de vijand.  Die ene daad om weg te komen.  Om eindelijk weg te komen.  Naar huis.  Die confrontatie met die ene daad doet hem begrijpen dat hij de dingen die hij deed, die hij zag, nooit meer ongedaan, ongezien kan maken.  Dat is de prijs van het overleven.  Henry begrijpt plots dat hij in Ieper kan wennen aan de vrede.  Dat in Ieper wonden traag kunnen genezen.  Dat hij in Ieper een opdracht heeft.  Een missie.  In Ieper stopt voor Henry het dolen.  Plots heeft Henry een land, een ervaring, een toekomst dat hij kan delen met de Ieperlingen.  Ik klap het boek dicht.  Ik laat mij achterover vallen.  In de zetel.  Met een krop in de keel.  Dit was intens.  Dit was behoorlijk intens.

 

Beste Aline.  In uw boek denkt Henry vaak na over het juiste monument.  Een monument dat de herinnering aan al die mannen in zich draagt, zonder dat het heroïsch wordt, zonder dat het de strijd verheerlijkt.  Een monument dat aan het lijden in plaats van aan het offer herinnert.  Ik meen te mogen denken dat uw boek een dergelijk monument is.  U herinnert ons de mannen.  U herinnert ons het lijden.  Uw boek is een monument dat beklijft.  Dat stil maakt.  Dat tot nadenken stemt.  Dat mij stilletjes doet vloeken.  Voor dat alles wil ik u graag bedanken.  Dank dus.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.