Uitgelezen: Wat we kunnen weten. Brief aan Ian McEwan.

Gepubliceerd op 4 juni 2026 om 13:13

Beste Ian,

 

Ik schreef u al meerdere brieven.  Nu doe ik het opnieuw.  Iemand met slechte bedoelingen zou mij kunnen betichten van stalking.  Slechte bedoelingen dicht ik u evenwel niet toe.  Slechte bedoelingen zijn ook mij volkomen vreemd.  Brieven worden niet geschreven om te beschimpen.  Dat doet afbreuk aan de waarde van brieven.  Ik schrijf brieven om te danken.  Om te loven.  Dat is wat ik ook nu zal doen.  Want ik las uw meest recente boek, Wat we kunnen weten.  Dat boek is goed.  Dat boek is uitstekend.  Dat boek is voortreffelijk.

 

Ik ben een vrolijke jongen.  Die vrolijkheid, die mij zo typeert, vind ik helemaal niet terug in uw nieuwste boek.  Integendeel.  Ik zou boek durven te omschrijven als een dystopische roman.  U schetst een wereld waarin het niet aangenaam leven is.  U schrijft over krijgsheren in Amerika.  Over een atoomoorlog.  Over een overstroming die Europa, West-Afrika en Noord-Amerika treft.  Over verdwenen steden.  Over Duitsland dat ingelijfd wordt door Groot Rusland.  Over een klimaatoorlog tussen India en Pakistan.  Over Saoudi-Arabië dat gemene zaak maakt met Israël en Iran binnenvalt.  Zoals ik al zei, van het door u geschetste toekomstbeeld wordt een mens niet vrolijk.  De enige troost, die u aan de lezer biedt, is dat al die rampen en oorlogen zich afspelen in de tweeëntwingste eeuw.  Dat is nog ver af.  Het kan nog verkeren.

 

U plaatst uw hoofdrolspeler, Tom Metcalfe, in het jaar 2119.  Hij is verbonden aan de University of the South Downs.  Zijn studieobject is de dichter Francis Blundy, die leefde in de eenentwintigste eeuw.  In mijn eeuw.  In onze eeuw.  Dat vind ik een geniale vondst.  U situeert zich verder in de tijd om van daaruit terug te blikken op de issues die vandaag spelen.  U doet wat geschiedkundigen doen met wat voorbij is.  Door uw verhaal te plaatsen in 2119 kan u hetzelfde doen.  U kan kritisch terugblikken op onze tijd.  Op mijn tijd.  U lijkt meer afstand te nemen.

 

Uw blik durf ik inderdaad als kritisch te omschrijven.  U noemt onze tijd een periode van stompzinnigheid en verspilling.  Van de verderfelijkheid van sociale media.  Van zelfzuchtige kortzichtigheid, volstrekte dwaasheid, leugenachtigheid en/of boosaardigheid van politieke leiders.  Van het stilzwijgen, de laffe idiotie of de doodsangst van de bevolking.  Van zorgeloze minachting voor de volgende generaties.  Dat alles is waar.  Toch lijkt u te beseffen dat het wat minder zwaar mag.  U benoemt dus niet enkel de slechte dingen.  U nodigt ons uit ook de magistrale staaltjes van ontwerp en technisch meesterschap te erkennen.  Op die manier staat u toe enig licht te laten schijnen in de duisternis. 

 

Al die rampen en oorlogen zijn slechts randfenomenen.  Noodzakelijk om de wereld te schetsen waarin Tom opereert.  De lezer volgt Tom Metcalfe in zijn pogingen een biografie te schrijven over zijn studieobject.  In die pogingen eigent hij zich de vrijheid toe om te speculeren, bepaalde dingen af te leiden, een onderbouwde inschatting te maken en omstandigheden en geestesgesteldheden te verlevendigen.  Dat is, volgens Tom Metcalfe, te verkiezen boven de academische neutraliteit.

 

Om dat biografische verhaal te schrijven kan Tom putten uit een enorme informatiestroom.  Het is alsof alles geweten is.  Alsof alles is gekend.  De sociale media biedt een verleidelijke toegang tot het privéleven van zijn studieobject.  Het voelt alsof het verleden van zijn privacy wordt beroofd.  Alles wordt benoemd.  Niks wordt ui de weg gegaan.  Alle gedachten zijn zomaar terug te vinden.  Er moet niet gegraven worden.  Er moet enkel opgeraapt worden.

 

Maar is dat werkelijk zo? Krijgen wij via sociale media een reële blik op het echte leven van een persoon? Dat stelt u in vraag.  Dat doet u door in het tweede deel van uw boek Vivien, de echtgenote van dichter Francis Blundy, aan het woord te laten.  Zij vertelt haar verhaal.  Zoals het werkelijk geweest is.  Meteen wordt duidelijk dat er geen grotere spreidstand kan bestaan tussen de echte werkelijkheid en de vermeende werkelijkheid, zoals die wordt voorgesteld op sociale media.  Op sociale media wordt enkel benoemd wat goed gaat.  Wat slecht gaat, wordt verzwegen.  Sociale media vertekent.  Verhult.

 

Terwijl u in uw boek vragen stelt bij het huidige klimaatdebat, bij religieuze overtuigingen en samenzweringstheorieën, bij de (on)betrouwbaarheid van het geheugen, bij artificiële intelligentie, bij de literatuur, bij woonzorgcentra en mantelzorg, laat u alle alarmen en sirenes afgaan bij het belang dat wij hechten aan sociale media.  Dat doet u op een ingenieuze wijze.  U hoedt zich voor veroordelen.  Dat doet u niet.  In plaats hiervan geeft u ons een boek dat tot overwegen stemt.  U laat het oordeel over aan de lezer.  Die moet uitspraak doen over sociale media.

 

Beste Ian.  Alweer leverde u een schitterend boek af.  U nam mij mee op een tijdsreis en vroeg mij vanuit die verre toekomst terug te kijken op onze huidige tijd.  U reikte mij de elementen aan.  De elementen die ik kritisch diende te beoordelen.  In die uitnodiging botste ik op issues, die mij vandaag bezighouden en waarmee ik worstel.  Ik botste op situaties, die in mijn persoonlijke leven spelen.  U daagde mij uit.  Ik trachtte een mening te vormen over de aangereikte issues.  Ik rachtte mijn houding te bepalen in de aangereikte situaties.  Uw boek was niet enkel een verhaal.  Uw boek was net zozeer een denkoefening.  Uw boek was een rijkdom.  Een plezier.  U verwent de lezer op een meesterlijk literaire wijze terwijl u diezelfde lezer op een verleidelijk verrassende manier uitnodigt na te denken over de wereld van vandaag.  Voor dat alles wil ik u graag van harte bedanken.  Dank dus.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb