Uitgelezen: Verwilderen. Brief aan Linde De Vroey.

Gepubliceerd op 7 mei 2026 om 12:54

Beste Linde,

 

Morgenstond heeft goud in de mond.  Ik durf dat gezegde wel eens in de mond te nemen.  Wat dat gezegde werkelijk kan betekenen, beschrijft u in het begin van uw boek.  U vertelt wat u ziet op een vroege morgen.  U doet mij watertanden.  Ik moet bekennen, u maakt mij een tikkeltje jaloers.  Dat paradijselijke beeld maakt u niet blind voor de werkelijkheid.  Want die werkelijkheid is ontnuchterend en doet het goud van de morgenstond wat verbleken. 

 

U beschrijft dat opgewekte ochtendschouwspel als iets exclusiefs terwijl het ooit zowat overal in onze streken een vertrouwd gezicht moet zijn geweest.  Dat was het verleden.  Betonnen steenwegen en droge akkers hebben de draslanden, de moerassen en de rietlanden verdrongen.  Weggeveegd.  De wilde natuur lijkt vandaag op sterven na dood in het Vlaamse landschap.  Op een paar kleine overblijfselen na.  U schetst een onthutsend beeld van de natuur in Vlaanderen.  Een beeld waarvan ik niet gelukkig word.  Slechts 8 procent van de totale Vlaamse oppervlakte wordt beschermd; en nog geen 3 procent is officieel erkend als natuurreservaat.  De biodiversiteit gaat sterk achteruit.

 

De natuur trekt zich terug.  Gevolg is vervreemding van de wilde natuur, en de vergetelheid die daarop volgt.  De wildernis lijkt zich elders te bevinden.  We vergeten daarbij al te vaak dat de aantrekkingskracht van die verre wildernis ook dicht bij huis voor een nieuwe betovering kan zorgen.  We lijken vergeten te zijn hoe we het landschap waarin we leven met het wilde leven kunnen delen.  Daarom begrenzen we ook de mogelijkheden voor dat wilde leven.  U noemt het een crisis van het geheugen, en van de verbeelding.

 

Bij de pakken blijven zitten, had een oplossing kunnen zijn.  Dat is voor u evenwel geen optie.  Jawel, we vergaten niet alleen hoe de natuur van weleer eruitzag, maar ook hoe de wilde natuur eruit zou kunnen zien, en welke plek die weer zou kunnen innemen in ons eigen leven.  Zachtjes aan begeleidt u mij naar het idee van verwilderen.  Verwilderen schetst een visie waarin een wildere, uitbundigere natuur weer een plek kan krijgen in een gedeeld landschap, in het menselijk leven, zelfs in het hart van de cultuur.

 

U kwam in aanraking met een idee dat u niet meer zou loslaten.  Het idee van verwildering.  Rewilding.  George Monbiot, een Brits journalist, inspireerde u.  Hij ziet rewilding niet louter als natuurherstel.  Het is meer.  Het is een kans voor de mens op een rijker, interessanter en meer betoverend bestaan.

Rewilding is een relatief nieuwe visie in het natuurbeheer die kortweg focust op het grootschalige herstel van ‘autonome, zichzelf onderhoudende processen’.  Verwilderen kan zijn inspiratie in het verleden zoeken, maar is in de eerste plaats een onderneming met een open einde.  De ecosystemen die voortkomen uit rewilding moeten beschouwd worden als wild, eigenzinnig: niet aangestuurd door menselijk beheer, maar door hun eigen processen.  Het is een proces waar ook de mens onherroepelijk deel van uitmaakt.  Het gaat erom de positie van de mens in de natuur opnieuw te bepalen.

 

In het hedendaagse Europa draait verwilderen al lang niet meer om het herstel van grote stukken wildernis.  Het biedt er een visie om de wilde natuur een plaats te geven in het hart van een innig bewerkt, bewoond en geliefd cultuurlandschap.  In dat gedeelde landschap werpt rewilding een aantal verschillende uitdagingen op.  In Vlaanderen botst men op twee grote specifieke uitdagingen: ruimte maken voor rewilding enerzijds, en het draagvlak vergroten voor een wildere natuur anderzijds.  We moeten de wildernis niet blijven situeren in verre en exotische oorden, maar moeten het ook in eigen dorp of stad kansen geven.

 

Dat alles is de theorie.  Om te kijken hoe het in de praktijk werkt, trekt u uw stapschoenen aan.  U brengt mij naar de Oostvaardersplassen in Nederland.  Naar het Yellowstone National Park in Amerika.  Naar de Maasvallei in België.  Naar de hooglanden van Schotland.  Naar het Mechels Broek.  Elk van die plekken vertelt het verhaal van een verwilderingsproces.  Hierbij benoemt u de uitdagingen en de manieren waarop met die uitdagingen werd omgegaan.  In die praktijkvoorbeelden wordt duidelijk dat verwilderen om menselijke flexibiliteit vraagt.  Om aanpassingsvermogen en opofferingen.  Het vraagt om compromissen.  Verwilderen daagt nu eenmaal alles uit wat door de mens bepaald wordt: niet alleen de levenswijze van landbouwers en bewoners, maar ook de doelstellingen van natuurbeheerders.  Daarbij geeft u aan dat er geen harde grens bestaat tussen verwildering en natuurbeheer of natuurherstel.  Methodes en resultaten kunnen heel gelijkaardig zijn.  Wel daagt rewilding zowel traditionele natuurbeschermers als het beleid uit om het idee van maakbaarheid verder los te laten.

 

Eerder in mijn brief had ik het al over de crisis van het geheugen.  Toch is dat niet de enige crisis.  Net zozeer is er de crisis van de moderne natuurervaring.  Het uitsterven van de natuurervaring.  Iedere generatie kan steeds minder een beroep doen op ervaringen uit de eerste hand om kennis en vaardigheden in de natuur te ontwikkelen.  Dat heeft in de eerste plaats te maken met een drastische reductie in de tijd die mensen, en dan vooral kinderen, buiten op wilde plekken doorbrengen.  Een Amerikaans journalist spreekt daarom van een algemeen verspreide ‘nature deficit disorder’ in de westerse wereld.  Een ontwikkelingsstoornis die voortkomt uit een gebrek aan contact met de natuur.

 

Daarom stelt u terecht dat het land herstellen zonder de relatie tussen mens en het land te herstellen een lege oefening is.  Verhalen zijn een cruciaal element in het herstel van die relatie.  Dat noemen we biocultureel natuurherstel: een praktijk waarin niet alleen het ecologische herstel van het landschap centraal staat, maar ook het herstel van de culturele relatie tussen mens en natuur.  Belangrijk hierbij is volgens u dat wij een cultuur van ‘gevers’ ontwikkelen.  Een cultuur waarin de mens zich ten dienste stelt van de natuur, en niet andersom.  U lanceert het idee van de wilde dienstbaarheid.  Het erkent dat de mens geen last hoeft te zijn voor de natuur, maar ook iets kan teruggeven.

 

Beste Linde.  Ik ben een van de velen die volgens ecoloog en filosoof Aldo Leopold het onvermogen hebben om de snelle achteruitgang van de wilde natuur waar te nemen, die vaak onopgemerkt blijft voor wie er geen aandacht aan besteedt.  Met uw boek hebt u mij wakker geschud.  Ik werd mij bewust van een dualiteit in mij.  Op verre reizen kan ik wildenthousiast worden van de natuur terwijl ik thuis bijna ‘ongevoelig’ lijk voor de natuur omdat die te dichtbij en daarom dan toch maar te gewoontjes is.  Uw boek leest als een uitnodiging om ook dichtbij die natuur te omarmen en te koesteren.  Om ook dichtbij wildenthousiast te worden van de natuur.  Voor die uitnodiging wil ik u van ganser harte bedanken.  Dank dus.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.