Uitgelezen: Ik ben hier liever niet alleen. Brief aan Marjoleine de Vos.

Gepubliceerd op 16 april 2026 om 12:53

Beste Marjoleine,

 

In uw nieuwste boek bent u de zus.  In uw nieuwste boek schrijft u over uw jongste broer.  Die terminaal ziek is.  U hebt hem nooit gekend.  Nooit goed begrepen.  Die jongste broer heeft een totaal ander leven geleid dan u.  Drugs.  Niet afgemaakte opleidingen.  Werkloosheid.  Die omstandigheden creëren een afstand tussen u en uw broer.  Pas als uw jongste broer terminaal ziek is, lijkt het alsof jullie naar elkaar toegroeien.  U voelt een nabijheid die u lang niet heeft ervaren.  Dat doet u achteromkijken.  Dat doet u nadenken over verbondenheid.

 

U blikt terug op uw jongste broer.  U beschrijft hoe u hem aanraakt.  Hoe u lichamelijk vertrouwd bent met hem.  Maar dat blijft enkel duren zolang hij het klein broertje was.  Daarna verdwijnt u.  U zou zich kunnen vasthouden aan die momenten.  U trapt niet in die valkuil.  U hoedt zich voor het verhaal.  Een verhaal dat meteen gaat verklaren en rechttrekken.  Voor een dergelijk verhaal past u.  U kiest ervoor de dingen te benoemen.  U benoemt de grillige uitsteeksels.  De onkenbare hoeken.  De mislukking.  De vreugde.  U benoemt die dingen die zichtbaar moeten worden.  U had een moeilijke relatie met uw broer.  Dat had zo zijn oorzaken.  Het woord ‘liefde’ zou u in verband met uw broer niet zo gauw gebruiken, al zou u nu ook weer niet weten hoe u het dan moet noemen.  De liefde voor uw broer hebt u nooit uitgesproken.

 

U zoekt naar verklaringen voor het moeilijke leven van uw broer.  Daarbij gaat u nadenken over levenservaring.  U stelt dat er niet geleefd wordt zonder enige levenservaring, die ook lijden insluit.  Lijden klinkt heroïsch.  Meer dan gewone, alledaagse dingen.  U oordeelt dat lijden niet nodig is om betekenis te vinden.  Het voegt iets toe aan uw inzicht in de waarheid maar niet aan uw gevoel van betekenis.  Dat alles past u toe op uw broer waarbij u zich afvraagt of hij meer weet van het leven dan u.

 

In uw boek maakt u een hele reeks denkoefeningen.  Oefeningen die aanvankelijk niks te maken hebben met uw broer.  U schrijft over de kracht van aanraking.  Over medelijden.  Over zieligheid.  Over zomercollecties.  Over herinneringen.  Over een lang leven.  Over de betekenis van kunst.  Over verveling.  Over al die dingen denkt u na.  Om dan telkens weer toch uit te komen bij uw broer.  U maakt verbindingen.  U weeft een web van associaties en elk woord gaat verbindingen aan met het lot en de geschiedenis van uw broer.  U vraagt zich af wat u weet of begrijpt van uw eigen verdriet of rouw als die gevoelens verbonden zijn aan iemand die u zo slecht kende.  Alles bestaat uit flarden, die niet enorm verhelderend zijn, maar toch wel licht werpen op een ongrijpbaar leven.

 

Aan het eind van uw boek komt u tot de essentie.  In een gedicht van Mary Oliver vindt u precies wat u moet doen.  Wat u zou kunnen doen.  U moet zijn leven niet trachten te begrijpen.  U kan iemand onmogelijk hebben gevonden en tegelijkertijd hebben gehouden van zijn lieve blik en zijn geintjes, hem hebben verafschuwd met zijn nare praatjes en hem hebben vastgehouden.  Het gevoel en de ervaring trekken zich van onze onwetendheid niet zoveel aan.  Dat ene gedicht bewijst wat u eerder in uw boek schreef over de kracht van gedichten.  Gedichten kunnen werken als levenshulp.  De levenshulp zit er niet zozeer in dat het u iets vertelt waar u wat aan hebt, maar dat het u laat zien of horen wat u treft als waarheid, en dat op die manier uw leven intensiveert.

 

Terwijl ik uw boek lees, moet ik denken aan mijn broers en zus.  Ik kan het niet helpen.  Wij zijn ook met zijn vier.  Ik, twee broers, één zus.  U doet mij kijken naar mijn broers en zus.  Naar hun plaats in mijn leven.  Ik kijk terug hoe het was.  Hoe het nu is.  Ik bevraag mijn rol binnen ons gezin.  Ik vraag mij af of ik het goed deed.  Of ik het goed doe.  Die vragen maken mij onzeker.  Die vragen doen mij stilletjes die woorden fluisteren.  Gericht aan mijn broers.  Gericht aan mijn zus.  Stilletjes fluister ik hen toe dat ik hier liever niet alleen ben.

 

Beste Marjoleine.  Ik lees uw boek en kan enkel maar vaststellen dat u een wijze vrouw bent.  U benoemt waarheden.  U reikt mij een handleiding bij het leven aan.  In uw boek schrijft u over de kracht van gedichten.  Met uw boek bewijst u dat ook boeken een zekere kracht in zich dragen.  Een kracht die door de lezer ontdekt dient te worden.  Dat heb ik gedaan.  Daarvoor wil ik u danken.  Van ganser harte.  Dank dus.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb