Beste Rudy,
Onlangs kwam ik thuis en vertelde ik mijn vrouw dat Team Rudy een fantastische film moet zijn. Zij keek mij verbaasd aan. Die verbazing vertaalde ik naar de volgende vraag: hoe kan jij dat weten als wij pas op zes mei de film gaan zien. Ik kon begrip opbrengen voor die ter zake doende maar niet uitgesproken vraag. Een film recenseren zonder die gezien te hebben, het zou een primeur zijn. Enige duiding was noodzakelijk. Om op die manier te vermijden dat mijn vrouw zou gaan twijfelen aan mijn verstandelijke capaciteiten.
Ik begon te vertellen. Ik struikelde over mijn woorden. Mijn vrouw maande mij aan mijn enthousiasme te milderen. Om zo rust te brengen in mijn verhaal. Ik schakelde een versnelling lager. Om dan opnieuw te beginnen. Deze keer raasde ik niet door. Ik vertelde. Kalm en beheerst. Ik vertelde mijn vrouw over Touché. Ik had geluisterd naar de podcast. Met Friedl Lesage als gastvrouw en u als gast.
Ik was ten zeerste ontroerd door het gesprek. Vooreerst door uw getuigenis over Parkinson. De ziekte die acht jaar lang uw leven beheerst. Een kloteziekte, ik kan het op geen andere manier verwoorden. Terwijl ik die ziekte zo benoem, hoor ik hoe u die ziekte een klootzak noemt. Terwijl wij op een bijna identieke wijze naar de ziekte kijken, is er toch een verschil. Een groot verschil. Ik ben slechts een buitenstaander. U ondervindt dagelijks de gevolgen van die vreselijke ziekte. Dat zou het enige verschil moeten zijn. Maar er is nog een verschilletje. Terwijl ik mijzelf omschrijf als een vrolijke jongen, waarbij ik het woord ‘zondagskind’ wel eens durf te gebruiken, merk ik dat ik moet afleggen tegen uw levenslust en levensvreugde. In mijn mindere momenten durf ik al wel eens te klagen. Over onbenulligheden. U schudt mij wakker. Jawel, u wijst mij terecht. Dat doet u niet letterlijk. Die terechtwijzing zit vervat in uw houding. In de manier waarop u in het leven staat. Focus op het grotere geheel. Laat die pietluttigheden links liggen.
Het verhaal van de ossobuco. Dat fragment raakt mij diep. Er wordt nauwelijks nog gesproken. Het lijkt alsof mensen zich verschuilen. Onder een koptelefoon. Met oortjes. De toegangswegen tot een gesprek worden geblokkeerd. Dat ervaar ik bijna dagelijks op straat. Zelfs een goedendag is eerder uitzondering dan regel. Liever kijkt men weg dan dat ene kleine woordje uit te spreken. Soms word ik er moedeloos van. Omdat ik zo graag praat. Met mensen. Mensen die ik niet noodzakelijk moet kennen. Vaak wordt het zelfs leuker als ik de mensen niet ken. Uit die vaak korte gesprekken haal ik een ongelooflijke energie. Het voedt mijn optimisme. Het versterkt mijn (door sommigen als naïef omschreven) geloof in de mensheid.
Ik voel mij dus verwant met uw ossobuco spirit. Spontaan ga ik glimlachen als ik u hoor spreken over de verbindende kracht van ossobuco. Die spirit doet mij geloven dat wij iets delen. In wat u zegt, hoor ik mijn denken over wat een samenleving hoort te zijn, echoën. Dat denken is gebald samen te vatten tot twee enkele woorden: samen leven. Wij lijken het vergeten te zijn. Wij lijken niet precies meer te weten hoe dat moet. Wij verschansen ons achter metershoge haagbeuken en trekken ons terug in onze versterkte burcht. In die versterkte burcht omarmen wij onze eenzaamheid. In een poging de gevaarlijke en te grote wereld buiten te houden. Maar die wereld is niet gevaarlijk. Is niet te groot. Uw verhaal toont net wat er gebeurt als wij besluiten elkaar te ontmoeten. Als wij besluiten samen te gaan leven. In uw woorden lees ik een uitnodiging om die haagbeuken te slopen. Om die poorten naar beneden te halen. Een open huis. Een open geest. Terwijl ik dit schrijf, moet ik denken aan iets. Een tijdje terug gingen mijn vrouw en ik naar een theatervoorstelling. Wij gingen naar onze stoel en begonnen te praten met de vrouw naast ons. Over koetjes en kalfjes. Niet over de grote thema’s. Net voor de zaallichten uitgingen vertrouwde de tweeëntachtigjarige dame ons toe hoeveel deugd een gesprek kan doen. Wij beaamden. Op dat moment beschouwden wij onze theateravond al als geslaagd. U toont ons wat de kracht van andere mensen is. Van een groep. Van vriendschap. U laat zien dat wat wij zelf doen, niet noodzakelijk beter is. U laat ons herontdekken dat wat wij samen doen, heel vaak zo veel beter is.
Heel misschien zal u opwerpen dat ik in deze brief nog niks schreef over uw ziekte. Over Parkinson. Dat moet u mij vergeven. In het gesprek met Friedl Lesage hebt u het er wel over. Maar u weet hoe het verhaal van uw ziekte in te bedden in uw boodschap van verbinding. Omdat u beseft hoe belangrijk het is al zieke om goed omringd te worden. Om goed ondersteund te worden. Aandacht voor de ziekte is belangrijk. Net zo belangrijk is de aandacht voor een warm en sterk netwerk. U voelt zich bevoorrecht met een degelijk team. Met team Rudy. Tegelijk erkent u dat niet iedereen kan terugvallen op een sterke ploeg. Voor hen neemt u het woord.
Beste Rudy. Dat alles vertelde ik aan mijn vrouw. Ik zei haar dat het een prachtige film zou worden als alles wat ik hoorde tijdens uw gesprek met Friedl zou vertaald worden naar het scherm. Als ik dat alles op het scherm zou zien, zou ik opnieuw ontroerd worden. Ik ben ervan overtuigd dat beelden uw woorden nog zullen versterken. De film zal daardoor nog harder binnenkomen. Dat hoop ik. Neen, dat weet ik. Ik zal opnieuw die warmte voelen. Die liefde. Die kracht. Die goesting. Ik zal opnieuw herinnerd worden aan wat een samenleving zou kunnen of moeten zijn en hoe u daaraan een bijdrage levert. Dus, jawel, ik kijk uit naar de film. Daarom wil ik u al bij voorbaat danken. Dank dus. Dank. Dank. Dank.
Met vriendelijke groeten.
Reactie plaatsen
Reacties