Uitgelezen: Verzamelde gedichten. Brief aan Rutger Kopland.

Gepubliceerd op 9 april 2026 om 12:04

Beste Rutger,

 

Onze gesprekken werden langzaam
onze vragen beantwoordden we met kijken
naar de langzame wereld om ons heen

de dorpen en landerijen in de diepte
de vogels bijna verdwijnend in de hemel

we gingen zitten kijken naar deze prachtige
onverschilligheid van de wereld
naar de overbodigheid van onze vragen

 

Het zal u misschien vreemd lijken dat ik deze brief begin met een van uw gedichten.  Toch heeft het zo zijn redenen.  Zoals alles wel ergens een reden heeft.  Sta mij daarom toe mijn keuze voor dit eigenaardige begin toe te lichten.  Uw gedicht Wandeling leidde mij naar u.  Via dat ene gedicht wandelde ik verder.  Doorheen uw gedichten.  Van vers naar vers.  Alsof elk woord een pad was dat zich vanzelf ontvouwde.  

 

Ik stelde mij u voor als een echte dichter.  Waarmee ik bedoel: iemand die enkel schrijft.  Iemand die observeert en schrijft, en daarin zijn dagen doorbrengt.  Niet afgeleid.  Enkel gefocust.  Dat dat niet zo was, verbaasde mij.  Hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen, dat was wat u was.  Het is niet van de minste.  En toch: misschien verklaart het ook iets.  Misschien verklaart het juist dat kijken, dat peilen, dat begrijpen van de mens.

 

Ik begon uw verzamelde gedichten te lezen en werd gegrepen door een zachte, maar hardnekkige nostalgie.  Ik woon al een hele tijd in Gent en durf mij, na twintig jaar, een stadsmens te noemen.  Maar u voerde mij terug.  Terug naar mijn geboorteplek.  Ik werd opnieuw dat jongetje — en tegelijk een ander jongetje.  U liet mij kijken met andere ogen naar wat mij zo vertrouwd was, zo dierbaar.  Naar de kleine dingen.  De dingen waar ik vroeger achteloos aan voorbijging.

 

Door uw woorden begon ik te begrijpen waarom ik met zo’n warm gevoel terugkijk naar mijn dorp.  Naar de plek waar ik opgroeide.  Het is alsof uw gedichten iets blootleggen wat er altijd al was, maar wat ik zelf niet kon benoemen.  Ik moet denken aan Het dorp.  Van Wim Sonneveld.  Datzelfde gevoel overvalt mij wanneer ik uw bundel lees.  Een gevoel waarin ik mij graag wentel. Waarin ik mij bijna wil begraven, omdat het zo zacht en herkenbaar is.

 

Ik heb nog niet al uw gedichten gelezen.  En dat wil ik ook niet.  Niet alles tegelijk.  Uw werk vraagt om tijd.  Om aandacht.  Om traagheid.  Zoals lekkernijen niet gulzig gegeten moeten worden, maar gesavoureerd.  Zo wil ik uw gedichten lezen: voorzichtig, stukje bij beetje.  Om telkens opnieuw verrast te worden.  Om ze daarna te koesteren, wetende dat ze er blijven.  Dat ze opnieuw gelezen kunnen worden.  Telkens anders, telkens opnieuw.

 

Uw verzamelde gedichten zijn voor mij een reis.  Een ontdekkingsreis. En laat reizen nu net mijn grootste passie zijn.  Maar zelden bracht een reis mij zo dicht bij mezelf.  Daarom wil ik u danken. Uitgebreid en oprecht.  Dank u voor uw woorden.  Voor uw blik.  Voor uw vermogen om het kleine groot te maken en het alledaagse te laten glanzen.  Uw werk is niet zomaar iets wat men leest.  Het is iets wat men meedraagt.  Voor dat alles dus, dank.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.