Beste Rudi,
Beste Lara,
Beste Gertjan,
Beste Serge,
Beste Wigbert,
Laat mij beginnen met een kleine bekentenis. Mijn vrouw en ik spreken u steevast aan als “der Rudi”. Bedoeld als een soort van eretitel. Niet lichtzinnig gekozen, maar bewust — om u boven alle andere Rudi’s te plaatsen. Want we hebben er maar één. Eén Rudi Vranckx. Onderscheid is nodig, vinden wij.
Dus, donderdagavond gingen we kijken naar “der Rudi”. Omdat we in deze gekke tijden nood hebben aan uw stem. Omdat we hoopten uit uw woorden wijsheid te puren. Hoop op te rapen. Iets om ons aan vast te klampen, zodat de chaos — al was het maar een beetje — minder chaotisch zou worden.
U begint de voorstelling met The Sound of Silence. U kon het niet weten, maar ik heb een haat-liefdeverhouding met dat liedje. Soms, op stille momenten, kruipt het mijn hoofd binnen om daar te blijven hangen. Het echoot. Het laat zich niet verdrijven. Een oorwurm, zo heet dat dan. En oorwurmen, die maken mij zelden gelukkig.
Maar u komt mij te hulp. U geeft context. U plaatst het lied in een geschiedenis — geschreven na de moord op JFK, als protestsong tegen het stilzwijgen. En plots wordt dat hardnekkige lied iets anders. Betekenisvoller. Dragelijker. Misschien zelfs noodzakelijk. Nog maar net begonnen, en ik ben al een beetje wijzer. Klaar om verder te ontvangen. Ik open mijn armen en aanvaard dankbaar.
Wat volgt, is een stroom van inzichten. U noemt oorlog wat het is: de perfecte definitie van dwaasheid. Altijd opnieuw hetzelfde doen in de hoop op een andere uitkomst. Dwaas, inderdaad. En toch blijft het gebeuren. U toont ons vervolgens de vele gezichten van oorlog. De frontlijn. Propaganda. Nepnieuws. Waarheid. Stilzwijgen. Verzet. Gruwel. Helden. Geen abstracte begrippen, maar tastbare realiteiten. U onderbouwt uw woorden met beelden, met fragmenten, met gesprekken. Met getuigen die spreken — en die blijven nazinderen.
U weet wanneer u moet pauzeren. Wanneer het genoeg is. Wanneer wij even adem moeten halen om niet knock-out geslagen te worden. En precies daar komen uw muzikale metgezellen binnen. Vrienden, zegt u — en wat voor vrienden. Zij brengen een soundtrack die niet zomaar begeleidt, maar verdiept. Nummers van Bruce Springsteen, Suzanne Vega, Randy Newman, Agnes Obel, Bob Dylan, Patti Smith — en nog zovele anderen die mij nu ontsnappen. De jaren beginnen hun werk te doen, dat geef ik toe. Maar wat blijft, is het gevoel.
De songs zijn niet zomaar gekozen. Ze zijn de perfecte muzikale vertaling van wat gezegd wordt. En de muzikanten — zij verdienen meer dan een vermelding. Zij verdienen hulde. Want zij brengen de nummers met een zuiverheid en intensiteit die de woorden centraal zet. Ik luister. Ik luister echt. Omdat ik de woorden wil opnemen. Omdat ik betekenis zoek. Omdat ik wil begrijpen.
Woord en muziek vloeien samen tot één geheel. En doorheen die hele voorstelling doet u wat zo vaak nagelaten wordt: u spreekt. U benoemt. U toont. U klaagt aan. En dan komt het slot. U brengt ons bij de monsters van Gramsci. U laat geen ruimte voor vaagheid. U bent helder. Kristalhelder. En u reikt ons iets aan wat zelden wordt aangereikt: een opdracht. Spreken. Zoals dat lied van Simon and Garfunkel het ooit deed. Zoals kunstenaars dat doen. Zoals gewone mensen dat moeten doen. Spreken om het stilzwijgen te doorbreken.
En ja — ik heb het begrepen. Dit is geen voorstelling waarna je buiten stapt en zegt: “hé, hé, leuke avond.” Dit is geen voorstelling om daarna gewoon weer over te schakelen naar business as usual. Dat kan niet meer. Wij kunnen niet meer zwijgen. Wij moeten spreken. Wij moeten het verschil maken. Niet noodzakelijk met grote gebaren. Maar ook — en misschien vooral — met kleine gebaren. Zoals de vrouwen die u ons toonde. Die niet wegkijken. Die rechtop blijven staan. Die de monsters benoemen. Voor die aansporing wil ik u danken. Voor die wake-up call wil ik u danken. Van ganser harte. Dank dus. Dank. Dank. Dank.
Met vriendelijke groeten.
Reactie plaatsen
Reacties