Beste Michelle,
U staat met beide voeten in de praktijk. Als maatschappelijk werker bij het OCMW zag u hoe die praktijk niet altijd spoorde met de theorie. Met het beleid. Al te vaak botste u op muren. Op onbegrip. Op drempels. Die herhaaldelijke botsingen inspireerden u tot het schrijven van dit boek. Want u wil benoemen. U wil de dingen tonen die wij niet zien. U wil de dingen verbeelden die wij niet zien. Omdat wij er buiten staan. Desondanks voelen wij ons niet geremd om te oordelen. Om te veroordelen. Mensen die niet in armoede leven kijken met een andere blik naar de wereld. Die andere bril is vaak de reden waarom het botst tussen de maatschappij en mensen in maatschappelijk kwetsbare situaties. Met uw boek tracht u ons blikveld te veranderen. Daartoe belicht u het oogpunt van de mensen in armoede zelf.
Om dat te kunnen doen, beseft u dat het misschien goed kan zijn om te schrijven wat armoede en sociale uitsluiting precies zijn. U schrijft dat armoede meer is dan een gebrek aan financiële middelen. Dat gebrek aan financiële middelen zorgt voor problemen op verschillende domeinen, wat op zijn beurt zorgt voor uitsluiting uit de maatschappij. Door die sociale uitsluiting krijgen mensen geen toegang tot de middelen, kansen en rechten die nodig zijn om volwaardig deel uit te maken van onze samenleving.
U zoomt in op de factoren die bepalen wanneer iemand een gebrek aan financiële middelen heeft. U benoemt de verschillende soorten armoede. U belicht wat de overheid doet. U laat zien welke overheid bevoegd is. In dat overzicht doet u meteen al een aantal voorstellen, die u soms formuleert in een punt van kritiek aan de overheid. Door aan te geven wat er niet is, toont u hoe het zou moeten. Ik geef enkele voorbeelden. Wanneer u schrijft over de armoederisicogrens, stelt u vast dat deze enkel rekening houdt met de inkomsten, niet met de uitgaven van mensen. Wanneer u schrijft over wat de overheid doet, stelt u vast dat diezelfde overheid de armoede niet oplost maar beheersbaar houdt. Wanneer u schrijft welke overheid bevoegd is, stelt u vast dat er geen minister is die de coördinerende of overkoepelende regierol opneemt en ervoor zorgt dat de verschillende beleidsniveaus op elkaar zijn afgestemd.
Na deze nuttige inleiding gaat u scherpstellen op een aantal domeinen. In die domeinen hebt u aandacht voor kinderen en jongeren. Voor werken. Voor wonen. Om dan als laatste stil te staan bij situaties die soms tot armoede leiden. Om alles heel duidelijk te maken brengt u getuigenissen. Van mensen die in één van die domeinen geconfronteerd werden met problemen. Wat ik in elk van die getuigenissen lees, is dat het vaak afhangt van die ene persoon. De juiste mens op het juiste moment op de juiste plek. Die ene vinden ze vaak na een lange, eigen zoektocht.
Al die getuigenissen vult u aan met cijfers. Met de gevolgen. Met de reële situatie. U geeft hierbij duiding. U zoekt naar oplossing. U geeft aan hoe het beleid kan bijgestuurd worden. U reikt voorbeelden aan van goedwerkende initiatieven. Die initiatieven zijn er maar versnipperd. Al te vaak lokaal georganiseerd waarbij het mij verbaast dat goedwerkende en succesvolle initiatieven door het beleid niet worden overgenomen en op grote schaal worden geïntroduceerd en georganiseerd. Al te vaak blijven het eilandjes.
U schrijft over het racisme van de lage verwachtingen. Over sociaal en cultureel kapitaal. U schrijft over bridging. Over een maatschappij waarin iedereen wenst dat iedereen aan het werk gaat, maar tegelijk een arbeidsmarkt heeft die niet voor iedereen toegankelijk is. U schrijft over huurpremie. Over huursubsidie. U schrijft over collectieve schuldenregeling. Over budgetbegeleiding. Ik besef dat voorgaande slechts een beperkte opsomming is. Toch kan ik stellen dat in alles wat u schrijft, streeft naar helderheid. Naar eenvoud. In een poging om uw boodschap ingang te doen vinden.
Omdat u beseft dat de beste stuurlui aan wal staan, neemt u het roer ook zelf in handen. Daarom doet u een aantal voorstellen. Zo stelt u voor vaste kosten te introduceren als een extra parameter in de armoedecijfers. U vraagt de totale maatschappelijke kost van armoede te onderzoeken. U denkt dat het noodzakelijk is de tijd te nemen en te krijgen om mensen op maat te begeleiden. Tot slot vraagt u om de automatische toekenning van rechten.
Aan het eind van uw boek kijkt u ook naar de toekomst. Die vooruitblik boezemt u een zekere angst in. Omdat u vreest dat maatschappelijke werkers zich zullen moeten toeleggen op nóg meer controle van mensen in armoede en op het sanctioneren van wie zich niet aan de voorwaarden houdt. Bovendien stelt u vast dat de federale regering de ondersteuning van OCMW’s zelfs wil laten afhangen van het aantal mensen die het aan het werk krijgt. U meent dat dit bijzonder nefast is voor de vertrouwensband tussen cliënten en hulpverleners, die nochtans cruciaal is om mensen te laten groeien.
Beste Michelle. Soms durven mensen wel eens te twijfelen aan het nut van lezen. Lezen wordt soms weggezet als tijdverlies. Uw boek bewijst aan die twijfelaars het tegendeel. Uw boek is meer dan nuttig. Uw boek levert een meer dan interessante bijdrage aan het maatschappelijk debat. Uw boek heeft mij uitgedaagd. Uw boek heeft mij wijzer gemaakt. Daarvoor wil ik u danken. Van ganser harte. Dank dus. Dank. Dank. Dank.
Met vriendelijke groeten.
Reactie plaatsen
Reacties