Beste Kiwi,
We zijn op weg naar Dunedin. Na één uurtje gaan we al even aan de kant. In Ashburton. Voor een ‘verplichte’ koffiepauze. Er wordt wel eens gezegd dat de ochtendstond goud in de mond heeft. Maar diezelfde ochtendstond vraagt blijkbaar toch ook om de nodige hoeveelheid cafeïne. Veel heeft het stadje niet te bieden. Dan zou de verleiding de kop kunnen opsteken om ons op een terrasje te installeren. Om alles rustig op zijn beloop te laten. Om dan na een tijdje terug de bus op te stappen. Dat doen wij niet. Wij trekken het stadje in. Om te ontdekken. Om onze ogen de kost te geven. Zo is het gek om te zien dat burgers zomaar een kantoor kunnen binnenstappen om een gesprek te hebben met hun parlementslid. Met hun vertegenwoordiger. In een districtkantoor. Dit noemen wij openbaar dienstbetoon. Een dienstverlening die bij ons al lange tijd niet meer bestaat. Omdat rondom die dienstverlening een geurtje van ‘ritselen en regelen’ hing. Daar valt wat voor te zeggen. Alleen vraag ik mij af of wij niet doorgeslagen zijn naar het andere uiterste. Van een te kleine afstand naar een te grote afstand. Een persoonlijk gesprek is niet meer mogelijk. Een politicus zien we wel nog. Op sociale media. Op televisie. Maar spreken? Neen, dat lijkt verleden tijd.
Terwijl ik al stappend nadenk of deze evolutie al dan niet positief is voor het politieke functioneren word ik aangesproken door een man. Hij lijkt in mij een verloren ziel te herkennen. Een verloren ziel die gered dient te worden. Hij biedt mij die redding aan. In de persoon van Jezus. Die biedt de oplossing. Een oplossing op maat. Gratis en voor niks. Mijn gesprekspartner vraagt slechts één ding: toewijding. Complete toewijding. Want enkel dan is redding mogelijk. Ik schud met het hoofd. Lang geleden heb ik het geloof afgezworen. Ik laat mij nu dan ook niet opnieuw verleiden. Ik weiger een foldertje aan te nemen. Ik versnel mijn pas en schud hem af. Ik laat hem een ander slachtoffer zoeken. Een slachtoffer dat misschien wel bezorgd is om zijn of haar zielenheil. Over mijn zielenheil maak ik mij geen zorgen.
Al die dingen flitsen door mijn hoofd. Ik stap naar de bus. Want die is klaar om te vertrekken. Aan de bus moet ik voorbij een kraampje. Geen groentekraampje. Geen fruitkraampje. Andere dingen worden hier aangeboden. Hier kan ik de waarheid vinden. Althans, dat is wat de ‘verkoper’ beweert. Die waarheid is de bijbel. Wij laten ons misleiden. Door scholen. Universiteiten. Door de media. Onze regeringen. Mij wordt gevraagd de evolutietheorie te verwerpen. Dat wordt weggezet als een verzinsel. Wat echt is, is het scheppingsverhaal. Lang leve het creationisme! Ik stap snel de bus op. Weg van die gekke mensen.
Begrijp mij niet verkeerd, ik heb niks tegen religie an sich. Wel vind ik het bijzonder problematisch als religie botst met wetenschap. Erger nog, als religie wetenschap aan de kant schuift en verwerpt. Net zozeer vind ik het bijzonder problematisch als religie zich gaat bemoeien met de inrichting van de staat en een vinger in de pap heeft bij het vorm geven van wetgeving. De neiging om persoonlijke vrijheden in te perken is ook een gevaarlijk kantje. Wij moeten alert blijven, dat is wat ik wil zeggen. Een snelle blik op Amerika kan ons tonen wat er zou kunnen gebeuren. Maar, genoeg over religie. Genoeg over religieuze waanzinnigen.
Met u wil ik het hebben over Oamaru. Want dat is onze volgende halte. Ik moet u bekennen, het stadje was mij onbekend. Net zoals steampunk mij onbekend was. Maar, zoals wel eens wordt beweerd, wij zijn nooit te oud om te leren. Ik stel mij dus open. Steampunk is een subgenre van sciencefiction en speculative fiction. Het brengt een fantasieversie van de negentiende eeuw, met een sterke klemtoon op het Victoriaanse tijdperk. Een fantasiewereld waarin luchtschepen en ronkende machines een belangrijke hoofdrol spelen. Een fantasiewereld dat baadt in een rokerige, industriële, melancholische en avontuurlijke sfeer. Een fantasiewereld waarin Victoriaanse kleding, korstellen, lange jassen en hoge hoeden de heersende modetrends zijn. Dat is de theorie. Het blijft allemaal nogal vaag. Ik ben klaar voor de praktijk. Ik stap het stadje in. Om daar die fantasiewereld vast te grijpen. Heel even lijkt het alsof ik de teletijdmachine van professor Barabas ben binnengestapt. Alsof ik naar een ver verleden werd terug geflitst. Een verleden waarin geen sprake is van een moderne wereld. Van een eenentwintigste eeuw. Jawel, ik moet bekennen. Er waren winkeltjes. Er waren cafeetjes. Plekken waar met de kaart kon betaald worden. Maar toch, ik proefde de sfeer. Voor heel even voelde ik mij een steampunker. Gewillig gaf ik mij over. Ik liet mij graag gaan. Ik zat in het verhaal. Zonder mij te hoeven forceren.
Toen ik later op de avond op mijn hotelkamer in Dunedin ging zoeken naar hoe steampunk in de muziek vertaald werd, kwam ik uit bij The Dresden Dolls. Een Amerikaans duo, dat zichzelf omschrijft als ‘Brechtian punk cabaret’ en aanleunt bij donkere, melancholische steampunk. Strikt genomen zijn zij geen steampunkband maar de esthetiek en de anti-moderne houding maken dat zij door fans van het genre worden omarmd. Toen ik dat las, kon ik een lichte glimlach niet onderdrukken. In mijn platencollectie heb ik The Dresden Dolls zitten. Hun titelloze debuutalbum. Diep in mij schuilt ergens een steampunker. Zonder het te weten. Ik kan mijzelf nog verbazen, denk ik. Voorwaar een hoopgevende gedachte.
Ik word wakker. Klaar voor Dunedin. De vorige avond hadden we kort kennisgemaakt met de stad. Wij reden door de stad op weg naar ons hotel. Dat korte ritje had mij niet meteen enthousiast gemaakt. Vandaag zal ik leren dat heel soms verschillende laagjes moeten weggekrabd worden om schoonheid te ontdekken. Vandaag zal ik mogen ervaren hoe mijn aanvankelijke voorbehoud bij de stad zal omslaan in een warme sympathie voor diezelfde stad. Het kan zomaar gebeuren. Maar dat zal pas gebeuren aan het eind van de dag. Door de dingen die ik gezien heb. Die ik meegemaakt heb. Al die dingen zullen mij 180 graden doen keren.
The Chills, the iconic Dunedin band. Dat zag ik staan. Op een elektriciteitskast. Aan het verkeerslicht waar ik stond te wachten om over te steken. Ik maakte een vreugdesprongetje. Ik leerde de band kennen via Submarine Bells, het album uit 1990 waarmee ze internationaal doorbraken. Ik was fier op mijn ontdekking. Eerder was mijn grote broer mijn gids doorheen het muzikale landschap. Ik ben nog altijd blij dat hij mij op sleeptouw nam. Via hem leerde ik de betere muziek kennen. Maar The Chills had ik zelf ontdekt. Zonder de hulp van de wijze broer. Alleen daarom al bleef ik de groep volgen. Bleef ik de groep trouw. Tot het verwaterde. Tot plots mijn liefde uitdoofde. Maar nu, op dat kruispunt, gaat die liefde opnieuw branden. Ik voel mij opnieuw dat jongetje van tweeëntwintig dat op zijn kamer het album beluistert. Herbeluistert. Ontelbare keren. Zonder ook maar op enige manier te vervelen. Ik word gelukkig van die herinnering.
Het was mij eerder al opgevallen. In Australië. Hier, in Nieuw-Zeeland, merk ik het ook op. De vele oorlogsmonumenten. Groots en kolossaal. Monumenten om de doden te eren. Gestorven voor het vaderland. Als helden. De woorden variëren licht maar komen telkens op hetzelfde neer. In mijn nog korte leven heb ik een afkeer ontwikkeld voor die holle woorden. Omdat het de foute woorden zijn. Omdat ik in die woorden een lichte nationalistische ondertoon hoor. Het zou anders moeten. Om de woorden van Bismarck te parafraseren zou het beter zijn in alle oorlogsmonumenten het volgende te beitelen: om u wordt gerouwd door moeders, vaders, broers, zusters, weduwen en weduwnaars, de oorlogsstokers werden nooit ter verantwoording geroepen. Dat zou echter zijn. Dat zou oprechter zijn. Want zo is het altijd. Oorlogen worden begonnen door enkelen, maar betaald door velen. De aanstokers blijven vrijwel altijd buiten schot. Daarom vind ik eerder troost bij die kleinere, meer bescheiden Peace Pole, in de omgeving van het Otago Museum. Op die paal staat de helder geformuleerde wens: May peace prevail on earth. Die ene paal met die ene boodschap maakt deel uit van een groter geheel. Het is deel van het Peace Pole Project, een internationale non-profitorganisatie. Initiatiefnemer was de vredesdenker en -activist Masahisa Goi. Bedoeling van de organisatie is het verspreiden van peace poles over de hele wereld. Zo staan er blijkbaar ook enkele in mijn land. In Maldegem. In Aalst. In Brussel. Ik wist het niet. We reizen om te leren, zeggen we dan. Hier, in Dunedin, word ik weer een heel klein beetje wijzer.
We lopen verder. Gaan binnen in The Public Art Gallery. Daar maak ik kennis met Michael Zavros, een Australisch hedendaags kunstenaar. Ik kijk naar zijn schilderijen en ben onmiddellijk fan. Zijn hyperrealistische schilderijen nemen mij mee in een wereld van luxe. Ik sta eerder afkerig tegenover luxe. Toch weet hij mij te verleiden. Omdat het ‘over the top’ is. Net omdat het ‘over the top’ is. Daardoor lees ik er eerder een aanklacht in. In zijn tentoongestelde luxe lees ik een leegte. Een eenzaamheid. Via zijn werken daagt de kunstenaar de macht uit. Stelt hij rijkdom in vraag. Prachtige schilderijen. Heldere boodschap. Met grote spoed was ik door de andere zalen geraasd. Maar in deze zaal is het anders. Ik ga op de rem staan. Alsof Michael Zavros mij aanmaant mijn tijd te nemen. Alsof hij mij toespreekt te luisteren. Dat doe ik dus. Ik neem mijn tijd. Ik luister. Ik luister en begrijp. Zoals het in ideale omstandigheden zou moeten. Ik kan enkel vaststellen dat deze expo de ideale omstandigheden schept.
Dan gebeurt het. In mijn eerste brief aan u had ik geschreven over Dick Move, een punkband uit Auckland. In Christchurch had ik een affiche gezien van de band. Daar had ik het kunnen bij blijven. Maar het wordt meer. Veel meer. Alles wordt anders in Dunedin. Ik loop in één van de straten, dichtbij The Octagon. Plots hoor ik een ketelherrie. Ik kijk om mij heen en meen te kunnen vaststellen dat het onbestemde geluid uit één van de cafés langs de straat komt. Ik ga dichterbij. Tot bij dat ene café. Ik kijk door het raam en zie een band op een podium. Het is drie uur in de namiddag. Niet echt een uur voor een rockconcert. Maar het gebeurt. De manier waarop zij spelen, doet mij denken aan The Ramones. Korte, snelle nummers. Geen pauze tussen de nummers. One, two, three and go. De band heeft mij in hun greep. Ik kan niet weggaan. Vluchten kan niet meer, zouden Frans Halsema en Jenny Arean zeggen. Ik ga dus binnen. Daar zie ik het. Met krijt geschreven op een bord. Op het podium staat Dick Move. Ik kijk onmiddellijk naar het podium. Ik zie een band die zich gooit. Die zich smijt. Zonder enig voorbehoud. In volle overgave. Waar ik naar kijk, is pure energie. Een half uurtje, langer is het niet. Maar dat hoeft ook niet. In die korte periode hebben zij mij overtuigd. Ik heb hun muziek gehoord. Ik heb hun muziek gevoeld. Van hun muziek word ik blij. Mijn vader zou zeggen dat het lawaai is. Ik zou hem corrigeren en zeggen dat het een feest is. Een groot feest. Een heel groot.
We lopen al een tijdje rond in Dunedin. Men zou kunnen gaan denken dat wij alles nu wel gezien hebben. Dat is niet zo. Er is nog de street-art tour. Een dergelijke tour beschouw ik telkens als een uitnodiging. Een uitnodiging om kennis te maken met een stadsdeel dat net buiten de platgetreden toeristische paden valt. Het brengt u naar straten en pleinen, die men anders links zou laten liggen. Zo is het ook deze keer. Ik ontdek een deel van Dunedin, dat misschien als minder interessant zou kunnen omschrijven. Maar dat is een oppervlakkige indruk. Als we verder kijken dan die eerste indruk, ontdekken we heerlijke plekjes. Bars. Cafés. Restaurants. Er broeit hier wat. Hier staat iets te gebeuren. Een stadsdeel in ontwikkeling. Dit zou zomaar eens de nieuwste hippe wijk van de stad worden. Ik ben er geweest. Met dank aan de street-art artiesten. Street-art kunstenaars. Waaronder Roa. Waarom ik enkel die ene noem? U moet het mij vergeven zo selectief te zijn maar zijn Gentse roots verbindt hem met mij. Dat ene gemeenschappelijke doet mij terugkeren naar The Octagon. Want daar kan ik één van zijn werken zien. Ik zou het niet één van zijn beste noemen. Maar wat wij delen, stemt mij mild. Mildheid is een schone deugd.
Terug in de hotelkamer, na een fijne dag, heb ik een inval. Misschien moet ik de bandleden van Dick Move uitnodigen om bij ons iets te komen drinken. Op onze hotelkamer. In vroegere tijden zou dat onbegonnen werk zijn. Bands waren toen onbereikbaar. Nu is het anders. Ik ga op sociale media. Via hun Facebook-pagina stuur ik een berichtje. Met de uitnodiging. Ik verwacht niet meteen een antwoord. Maar al na een half uurtje hoor ik een ‘ping’. De groep antwoordt. Zij waarderen mijn uitnodiging maar ze hebben nog een optreden die avond. In Dunedin. Op een andere plek. Zij nodigen mij op hun beurt uit. Ze zetten mij op de invitatielijst. Een ticketje hoeft niet, zeggen zij. Helaas. Drie maal helaas. Ik heb andere plannen. Een Thaise massage. Annuleren gaat niet meer. Wij betaalden al een voorschot. De bandleden heb ik dus niet ontmoet. Wel heb ik een verhaal. Een fijn verhaal.
Beste Kiwi. Gert Verhulst zong samen met Samson dat er meer in een liedje zit dan je denkt. Hetzelfde geldt voor een stad. Bij het binnenrijden van Dunedin was ik niet meteen enthousiast. Laat mij eerlijk zijn, dat is nog zacht uitgedrukt. Maar dan gingen wij wandelen. Al stappend werd ik meer en meer enthousiast. De stad wist mij te verleiden. Met haar aparte charme. Een charme die de stad goed weet te verbergen. Het is aan de bezoeker die te ontdekken. Dat heb ik gedaan. Dunedin zit in mijn hart. Ik ben klaar voor Queenstown.
Met vriendelijke groeten.
Reactie plaatsen
Reacties
Mooi verhaal, wel een vreemd stadje dat Dunedin. Waar een wandeling niet goed voor is.
Mooi verhaal Wim, ik vond Dunedin helemaal niet boring, heel veel kerken, parkjes, het prachtige railwaystation met op de bovenste etage het New Zealand sportmuseum.
Centrum was heel levendig.