Het uur blauw, gezien in de Minard. Brief aan Johan Terryn.

Gepubliceerd op 28 maart 2022 om 12:20

Beste Johan,

 

Pas achteraf kreeg het betekenis.  Op het moment leek het mij toeval.  Gewoon puur toeval.  Het leek mij toevallig toen de mevrouw naast mij vroeg waarom ik naar precies deze voorstelling gekomen was.  Over die vraag had ik niet precies nagedacht.  Ik had gekozen.  Omdat u het was.  Omdat ik meende dat u op een mooie manier dingen kan vertellen.  Daarom zat ik die avond naast mevrouw.  Dat dacht ik toch.  Het leek mij toevallig toen bleek dat de stoel aan mijn andere zijde onbezet zou blijven.  De mevrouw kon heel onverwacht niet komen.  Dat zei haar vriendin mij toen zij mij zei dat ik op die lege stoel mijn jas kon hangen.  Daarom bleef die stoel vrij.  Dat dacht ik toch.  Pas achteraf zou mij alles duidelijk worden.  Maar nu nog niet.  Niet bij het begin van de voorstelling.

 

U verloor uw vader.  In het midden van de eerste lockdown.  Dat overlijden was anders dan anders.  Door de toen geldende coronamaatregelen diende afstand gehouden te worden.  Ook in die omstandigheden.  Zonder nabijheid diende u afscheid te nemen.  Zonder woorden.  Zonder aanrakingen.  Wat dat alles voor u betekende, schreef u neer.  In uw column op de radio.  Daarop kwam reactie.  Veel reactie.  Van luisteraars.  Luisteraars die hetzelfde ervaren hadden.  Die net als u een geliefde verloren hadden in die lockdown.  Al die reacties kon u niet zomaar laten passeren.  U wou iets doen.  Uit al die reacties selecteerde u twaalf mensen.  Hen stuurde u een uitnodiging.  Voor een wandeling.  In een bos.  Om half vijf ‘s morgens.  Net voor zonsopgang.  U vertrok in het donker. U kwam aan in het licht.  U wandelde tijdens het uur blauw.  Terwijl u wandelde, vertelde u.  Liet u vertellen.  Wat nooit eerder gezegd werd, werd dan gezegd.  Die gesprekken legde u vast.  Die gesprekken kunnen beluisterd worden.  In een podcast.

 

Die gesprekken waren geen eindpunt.  U wou meer.  U maakte een voorstelling.  In die voorstelling laat u fragmenten uit die gesprekken horen.  In die voorstelling vertelt u uw verhaal.  Zoals die twaalf mensen aan u deden.  In de nacht.  In het uur blauw.  Dat doet u nu.  U vertelt aan ons.  Aan het publiek.  U laat ons getuige zijn van uw rouwproces.  Wat wij horen, is een dertiende verhaal.  Is uw verhaal.  De cirkel is rond.  Want dat is wat een cirkel moet zijn: rond.  Althans, dat is toch wat uw vader denkt.

 

U vertelde.  Ik luisterde.  Dat leek mij de juiste taakverdeling.  Ik luisterde.  Naar wijze woorden.  Naar woorden die ik nodig had.  Want ik weet niet wat rouwen is.  Ik verwar rouwen telkens met tranen.  Zonder tranen geen rouw.  En dus probeer ik telkens te huilen als een geliefde wegvalt.  Maar tranen komen niet altijd.  Dan vervloek ik mij.  Dan word ik kwaad op mijzelf.  Omdat het lijkt alsof ik onverschillig ben.  Alsof de dood mij helemaal niks doet.  Ik ga twijfelen aan mijzelf.  Ik ga mijzelf in vraag stellen.

 

U gaf mij inzicht.  U vertelde over rouw.  In al zijn verscheidenheid.  Ik pikte dingen op.  Juiste dingen.  Troostende dingen.  Dingen, waarin ik mijzelf kon herkennen.  In mijn hoofd ging een lichtje branden toen u rouwen vergeleek met verhuizen.  Toen u zei hoe uw vader bij zijn overlijden verhuisde van buiten naar binnenin u.  Want dat is wat ik deed.  Telkens trachtte ik mij een voorstelling te maken van de overledene.  Van de geliefde, die gestorven was.  De meest ideale voorstelling.  Ik ging dus nooit naar het lijkenhuisje.  Bij de begrafenisondernemer.  Want die confrontatie zou mijn voorstelling verstoren.  Ik maakte die voorstelling.  Ik bewaarde die.  Om zo te kunnen oproepen als ik hem of haar even bij mij wou.  Dat werkte.  Dat werkt.  Maar ik wist niet dat dit rouwen was.  Rouwen moest zichtbaar zijn, dacht ik.  Rouwen moest getoond worden.  Dat deed ik dus niet.  En dus was ik in de veronderstelling dat ik niet rouwde.  Maar u bracht redding.  U zei dat het goed was.  Dat het ook een manier was.  Een oprechte manier.  Een juiste manier.  Ik aanvaardde dankbaar.

 

U vertelde hoe rouwen gedeeld moet worden.  Dat kon niet in die eerste lockdown.  Net zoals een koffietafel niet kon.  Dat is een gemis.  Een gemis waar we al te vlug overheen stapten.  In onze al te dolle pogingen om het coronavirus te verslaan.  Niks mocht.  Sterven deden we alleen.  Rouwen deden we alleen.  Zo was het.  Zo moest het.  Vragen werden niet gesteld.  En als die vragen werden gesteld, werd er niet geantwoord.  Solidariteit mocht niet in vraag gesteld worden.  Zelfs niet in de meest donkere periode.  Zelfs niet in de moeilijkste periode.  Ik heb dat gelukkig niet moeten ervaren.  Vele anderen wel.  U geeft die vele anderen een stem.  U doet ons achterom kijken.  Toch nodigt u ons uit ook vooruit te kijken.  In die uitnodiging lees ik een oproep om milder te zijn.  Om het anders te doen.  Om minder stringent te zijn.  Want wat u vertelt, is hard.  Komt behoorlijk binnen.  Jawel, in wat u zegt, kan ik enkel besluiten dat wij nagelaten hebben menselijk te zijn.  Ik zelf ben daar geen uitzondering op.  Ook ik riep om binnen te blijven.  Om alles stil te leggen.  Om niks toe te laten.  Dat is hard.  Behoorlijk hard.  Maar om dat besluit kan ik niet heen.

 

Nooit eerder zat een voorstelling zo juist.  Nooit eerder was een timing zo perfect.  Enkele dagen eerder had ik mijn tante verloren.  Mijn meter.  Plots kon ik het toeval beter begrijpen.  Ik kon antwoorden op de vraag van mijn ene buurvrouw in de zaal.  Ik kon antwoorden op de vraag waarom ik er die avond was.  Gewoon, omdat ik daar moest zijn.  Ik moest die avond in de Minard zijn.  Dat leek die avond de enige plaats waar ik moest zijn.  Ik kon plots ook begrijpen waarom die ene stoel naast mij vrij was.  Want u nodigde het publiek uit een overledene in gedachten op te roepen.  U deed zelfs meer.  U vroeg het publiek die overledene uit te nodigen.  Dat heb ik gedaan.  Ik nodigde mijn meter uit.  Zij kwam naast mij zitten.  Op die vrije plaats.  Plots bleek toeval geen toeval meer te zijn.  Het moest zo zijn.  De avond was perfect.

 

Beste Johan.  U schonk mij een perfecte avond.  Een avond die ik nodig had.  In uw getuigenis vond ik woorden die ik zelf zocht.  U reikte mij die juiste woorden aan.  Ik kon enkel aanvaarden.  Niet zozeer schonk u mij woorden.  U leverde net zozeer de nodige inzichten aan.  Die nam ik op.  Diep in mij.  Die inzichten nam ik mee.  U zegt dat rouwen niet kan geleerd worden.  Dat is zo.  Ieder moet daarin zijn weg zoeken.  Maar u plaatste wel enkele interessante wegwijzers.  Daarvoor wil ik u danken.  Van ganser harte.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.