Uitgelezen: Immuun voor kanker? Brief aan Tessa Kerre.

Gepubliceerd op 26 januari 2022 om 13:24

Beste Tessa,

 

Bij het lezen van de introductie, geschreven door prof. dr. em. Jean Plum, sloeg de paniek mij om het hart.  Dit zou geen spek voor mijn bek zijn, dacht ik.  Dit was voer voor professionelen.  Dat ben ik niet.  Ik ben een leek.  Even dacht ik het boek aan de kant te leggen.  Maar toen dacht ik aan Touché, het radioprogramma van Friedl Lesage op Radio 1.  Daarop had ik u gehoord.  In begrijpelijke taal sprak u over uw vakgebied.  Niet enkel sprak u een begrijpelijke taal.  U sprak tegelijk op een uitnodigende manier.  Begrijpelijk en uitnodigend, dat is een kunst.  Dat is een vak.  Daarom las ik verder.  Omdat ik hoopte dat de lucht zou opklaren.  Dat gebeurde.  Dat wil ik u nu al meegeven.

 

U bent een vrouw met een missie.  Een vrouw met een opdracht.  U wil kanker bespreekbaar maken, het taboe doorbreken, de angst en de eenzaamheid verkleinen.  U wil de pijn en het verdriet tonen, maar ook de schoonheid.  U wil helpen om hoopvol naar de toekomst te doen kijken.  Om dat alles te kunnen realiseren kan u onmogelijk binnen de muren van een ziekenhuis blijven.  U moet uitbreken.  Om andere mensen te bereiken.  Uw boek is daartoe een poging.

 

Als ik terugkijk in mijn herinneringen is kanker altijd datgene geweest waarover gefluisterd wordt.  Nooit werd het woord luidop gezegd.  Want als dat zou gebeuren, zou men het onheil over zich afroepen.  Zo leek het wel.  Daarom dus, enkel fluisteren.  Maar u wenst niet te fluisteren.  U wenst te spreken.  Luidop.  Iedereen mag het horen.  U wenst kanker uit zijn isolatie te nemen en binnen de maatschappij plaatsen. 

 

Om daarin te slagen moet begrepen worden wat kanker is.  Moet begrepen worden hoe kanker werkt.  Dat is behoorlijk moeilijke materie.  U beseft dat ook.  U beseft dat al te zware theoretische uiteenzettingen de lezer zouden afschrikken.  Het moet eenvoudiger.  U valt terug op een vergelijking.  Een vergelijking die iedereen wel zal begrijpen.  U vergelijkt kanker met een verkeerssituaties.  Waarbij u alle mogelijke scenario’s en reacties in die vergelijking vat.  Er wordt gezegd dat u pas een meester in uw vak kan zijn als u de complexiteit van uw vakgebied tot een begrijpelijke eenvoud kan terugbrengen.  Een begrijpelijke eenvoud voor buitenstaanders.  U slaagt hierin met grootste onderscheiding.

 

Dat kunstje herhaalt u zelfs nog een tweede keer.  Wanneer u schrijft over het immuunsysteem grijpt u terug naar de kracht van de vergelijking.  Deze keer vergelijkt u het immuunsysteem met een leger.  Om de helderheid nog te versterken, voegt u zelfs een stripverhaal toe.  Die vergelijking in combinatie met het stripverhaal brengt een uitzonderlijke complexiteit alweer terug tot een zekere eenvoud.  Waardoor de lezer toch alleszins de grotere lijnen met zich meeneemt.

 

Het boek is niet enkel geschreven voor huidige of toekomstige geneesheren.  Is niet enkel geschreven voor huidige of toekomstige verpleegkundigen.  Is niet enkel geschreven voor patiënten.  Dit boek is geschreven voor iedereen.  Omdat de kans bestaat dat iedereen wel eens in contact kan komen met kanker.  Rechtstreeks of onrechtstreeks.

 

Om die redenen beperkt u het boek niet enkel tot de ziekte.  U beperkt het boek niet enkel tot de symptomen.  U beperkt het boek niet enkel tot de therapieën.  U beperkt het boek niet enkel tot het onderzoek.  U beperkt het boek niet enkel tot de risico’s.  U gaat veel ruimer.  Omdat u beseft dat dit noodzakelijk is voor het slagen van uw missie.

 

In uw boek bent u niet de enige woordvoerder.  U geeft het woord aan anderen.  Zo maakt u in uw boek plaats voor getuigenissen.  Van Kris.  Van Krista.  Van Iben.  Van Evelien en Katrien.  In die getuigenissen van patiënten lezen wij de vertwijfeling.  De worsteling.  De moed.  De hoop.  De vreugde.  De pijn.  De wanhoop.  U had dit alles zelf kunnen vertellen.  Maar dat doet u niet.  Omdat u lijkt te weten dat die getuigenissen echter zijn.  Menselijker.  Overtuigender. 

 

Niet enkel de patiënten komen aan het woord.  U geeft het woord ook aan familie.  Familieleden, die iemand hebben verloren aan kanker.  Een zoon.  Een dochter.  Een echtgenoot.  Een echtgenote.  Een moeder.  Een vader.  Op die manier brengt u het rouwen in beeld.  Het troosten.  Het verwerken.  In die getuigenissen wordt duidelijk hoe elkeen zijn eigen manier zoekt.  Hoe elkeen zijn eigen tempo bepaalt.  Wij lezen over een pijn die nooit weggaat.  Die blijft.

 

Maar u focust niet enkel op verlies.  U focust tegelijk op de hoop.  Om het beeld in evenwicht te brengen.  Wij lezen verhalen van patiënten die momenteel in behandeling zijn.  Van patiënten die hersteld zijn.  Zij vertellen over de impact van kanker op hun leven.  Lichamelijk en emotioneel.  Zij getuigen hoe kanker nieuwe verbindingen creëert en bestaande verbindingen hertekent of onder druk zet.  Zij geven aan dat een leven met een kankerervaring vraagt om een onderhandeling met de omgeving om te mogen afwijken van de vele vanzelfsprekendheden.

 

Maar u kijkt niet enkel naar de patiënt.  Naar zijn of haar omgeving.  Naar zijn of haar familie.  U richt uw blik ook naar de zorgsector.  Naar de verpleegkundigen.  Hen laat u vertellen over hun motivatie.  Over de twijfel, eigen aan het werk.  Over verlies en afscheid, eigen aan het werk.  Over hun gedrevenheid.

 

Niemand lijkt u te vergeten.  Iedereen komt aan het woord.  Dat maakt het boek tot een uitgebalanceerd werkstuk.  Dat maakt het boek zo eerlijk.  Dat maakt het boek zo echt.

 

Het kan heel vreemd klinken maar ik nam uw boek mee naar de slaapkamer.  Elke avond las ik enkele pagina’s.  Ik had gedacht dat mijn slaap hieronder zou lijden.  Ik zou geplaagd worden door erge nachtmerries.  Dat vreesde ik.  Maar niks daarvan gebeurde.  Ik sliep vast.  Bijna als een roosje.  Omdat ik uit het boek toch enige kracht wist te puren.  Ondanks het thema.  Het deed mij nadenken over de liefde.  De liefde voor het leven.  De liefde voor een passie.  De liefde voor een partner.  Het deed mij nadenken over mijn relatie.  Met mijn vrouw.  Met mijn familie.  Met mijn vrienden.  Het deed mij nadenken over het lichaam.  Hoe wonderlijk, vernuftig en ingenieus een lichaam is.  Over dat alles dacht ik na en telkens weer, net vóór ik wegdroomde, dacht ik hoe bevoorrecht ik wel ben.  Hoe gezegend ik wel ben.  Elke avond ging ik slapen met een warm gevoel.

 

Tot slot wil ik u nog danken voor die ene levensles, die ik uit uw boek meeneem.  Sleur hoeft geen bedreiging te zijn.  Sleur kan een vriend zijn.  Gewoon leven en af en toe iets meepikken, dat is het mooiste wat een mens kan hebben.

 

Beste Tessa.  Ik wil u danken voor uw fantastische boek.  U daagde mij uit.  U dwong mij tot nadenken.  U deed mij huilen.  U deed mij lachen.  Maar bovenal deed u mij beseffen hoe gezegend wij mogen zijn met al die geëngageerde zorgkundigen.  Dokters, verpleegkundigen, verzorgenden.  Aan hen en aan u wil ik mijn oprechte dank overbrengen.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.