Seniorie De Spielerei van die Verdammte Spielerei, gezien in het Gildenhuis Melle. Brief aan Bjorn, Pieterjan, Roeland, Ruben, Stefaan en Thomas.

Gepubliceerd op 8 november 2021 om 13:04

Beste Bjorn,

Beste Pieterjan,

Beste Roeland,

Beste Ruben,

Beste Stefaan,

Beste Thomas,

 

Jullie kwamen achteraan de zaal binnen.  In stoet.  Met muziek.  Dat laatste spreekt voor zich.  Jullie zijn een fanfare.  Een fanfare kan niet zonder muziek.  Net zoals een café niet zonder bier kan.  Jullie marcheerden dus binnen.  In strakke slagorde.  Nog maar net binnen en het gebeurde al meteen.  Ik begon te lachen.  Dat spontane lachen gebeurt telkens als ik jullie zie.  Telkens weer hebben jullie dat effect op mij.  Jullie lijken het uit te lokken.  Een korte verklaring kan gegeven worden.  Jullie stralen die dingen uit waarom ik spontaan begin te lachen.  Plezier.  Amusement.  Feest.  Al die dingen maken mij blij.  Al die dingen maken mij gelukkig.  Die blije gelukzaligheid doet mij lachen.

 

Jullie trekken door de zaal.  Om dan het podium op te stappen.  Voor een avondvullende show.  In die show blikken jullie vooruit.  Jullie kijken naar de verre toekomst.  Met die vooruitblik houden jullie ons een spiegel voor.  In die spiegel zien wat de toekomst ons zal brengen.  De oude dag, zoals wel eens wordt gezegd.  Ooit zal voor iedereen die dag komen.  Om ons hierop voor te bereiden geven jullie ons enkele tips.  Net zoals jullie ons enkele waarschuwingen meegeeft.

 

Ik durf al eens na te denken over het leven.  Over de zin van het leven.  Die denkmomenten kunnen al eens verontrustend zijn.  Kunnen al eens ontwrichtend zijn.  Maar dat is verleden tijd.  Want jullie hebben mij gerustgesteld.  Na jullie show gezien te hebben kom ik tot het besef dat ik toch wel goed bezig ben.  Ik omarm het leven.  Niks ga ik uit de weg.  Alle uitnodigingen (of toch bijna alle) neem ik aan.  Jawel, ik tracht gezond te leven.  Zonder mij daardoor te laten inperken.  Gezondheid mag de goesting in het leven niet in de weg staan.  Jullie benoemden het goed.  Het staat niet goed een peignoir-mens te zijn.  Een peignoir dwingt u naar beneden te kijken.  Naar die enkele centimeters voor uw eigen voeten.  Die mensen missen vele dingen.  Missen bijna alle dingen.  De schoonheid van het leven ontglipt hen.  Zonder dat ze het eigenlijk beseffen.  Om pas aan het eind van het leven vol te lopen van spijt.  Wanneer het te laat is.  Daarom dus beter een kort en vol leven dan een lang en leeg leven.  Die levensfilosofie geven jullie ons mee tijdens de show.

 

Oud worden, het lijkt een uitdaging.  Een uitdaging die in een rusthuis nog eens wordt versterkt.  In een rusthuis moeten wij uitkijken.  Want daar worden de glinsteringen van het leven al te vaak uitgewist.  Daar wordt de goesting in het leven al te vaak weggeveegd.  Om zes uur of vroeger in bed.  Elke dag puree.  Geestdodende spelletjes.  Verkleinwoordjes die ons opnieuw tot kind degraderen.  Dat laatste is iets waarvoor we moeten uitkijken.  Dat geven jullie ons mee.  De scheidslijn tussen kind en bejaarde wordt flinterdun.  Jullie halen voorbeelden aan.  Voorbeelden die helaas pijnlijk herkenbaar zijn.

 

Maar het is niet allemaal kommer en kwel.  Dat wordt duidelijk als jullie de oudste toeschouwer uit het publiek op het podium roepen.  Dan wordt tastbaar dat er een alternatief is.  Dat het anders kan.  De drieëntachtigjarige man laat zich niet wegdrummen door jullie.  Jullie doen nochtans jullie best.  De man moet heel wat verduren maar hij blijft overeind.  Verdrinken doet hij niet.  Indien mij na de show zou gevraagd zijn wat ik later wil worden, zou ik het antwoord weten.  Zoals die oude man, zou ik zeggen.  Want in zijn ogen zag ik nog het vuur branden.  Het vuur dat in zovele ogen in rusthuizen geblust is.  Of geblust wordt. 

 

Misschien moet ik jullie raad wel opvolgen.  Geen rusthuis.  Wel een tiny house.  Of enkele tiny houses.  Voor mij en vrienden.  Om op die manier zelf de regie in handen te houden over onze oude dag.  Om op die manier ver weg te blijven van een al te sterke regelneverij.  Om op die manier zelf te kunnen beslissen wanneer het goed geweest is.  Om op die manier zelf het vuur in de ogen aan te wakkeren en in stand te houden.

 

Ik heb gelachen.  Niet ingehouden.  Wel luidop.  Jullie observaties waren juist.  Waren herkenbaar.  Heel soms waren die confronterend.  Toch heb ik niet enkel gelachen.  Net zo vaak heb ik moeten vechten tegen een traan.  Want soms werd het stil.  Omdat wat jullie zeiden ook tot nadenken stemde.  Een lach en een traan, in een perfecte comedy moeten die beiden samenkomen.  Daarin slaagden jullie wonderwel.  Jullie wisten beiden aan elkaar vast te klikken in een wervelende show.  In die wervelende show halen jullie een thema aan waar al te vaak omheen wordt gefietst.  Het einde van een leven.  De dood.  Maar jullie doen dat op een dergelijke schitterende wijze dat ik mij hierover niet meer ongerust dien te maken.  Dat ik hiervan niet meer hoef wakker te liggen.  Tegen vrienden zeg ik wel eens dat ik hoop honderdtwintig jaar te worden.  In die uitspraak schuilt zowel mijn verknochtheid aan het leven als mijn angst voor de dood.  U hebt mij duidelijk gemaakt dat honderdtwintig jaar niet echt nodig is.  Dat tachtig jaar ook wel mooi kan zijn.  Of zeventig.  Of negentig.  Elke leeftijd is mooi op voorwaarde dat er intens geleefd werd.  Want dat is misschien nog de grootste oproep aan het publiek.  Leef! Leef ten volle!

 

Beste Bjorn.  Beste Pieterjan.  Beste Roeland.  Beste Ruben.  Beste Stefaan.  Beste Thomas.  Ik wil u danken voor een wonderlijke avond.  Vol humor.  Vol muziek.  Het was grandioos.  Ik heb genoten.  Dus, jawel: dank, dank, dank.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak een Gratis Website met JouwWeb