Uitgelezen: De hemel boven Lima. Brief aan Juan Gómez Bárcena.

Gepubliceerd op 18 augustus 2021 om 13:10

Beste Juan,

 

Ik schrijf u een brief.  Ik heb zo een vermoeden dat u dit simpele feit zal toejuichen.  Een vermoeden dat zo groot is dat het grenst aan een heel hoge waarschijnlijkheid.  Dat vermoeden valt niet zomaar uit de lucht.  Ik hou mij ver weg van giswerk.  Het gokken is mij vreemd.  Mijn vermoeden wordt gevoed nadat ik uw boek gelezen heb.  Uw debuutroman.  Want daarin staat het schrijven van brieven centraal.  Meer nog, het schrijven van brieven is de kapstok waaraan u uw roman hangt.  Dat ambacht is de leidraad doorheen uw verhaal.

 

U vertrekt vanuit de werkelijkheid.  Vanuit de historische realiteit.  Alles draait rond de Spaanse dichter Juan Ramón Jiménez.  Die heeft echt bestaan.  Meer nog, in 1956 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur.  Deze dichter zou een lange correspondentie gevoerd hebben met een zekere Georgina Hübner.  Hij heeft de dame nooit ontmoet maar blijkbaar was de correspondentie zo intens dat hij meer dan enkel sympathie voor haar koesterde.  Een warme sympathie die overhelde naar verliefdheid.  Verliefde dichters durven dan al eens een gedicht te schrijven.  Dat deed ook Jiménez.  Hij schreef voor Georgina één gedicht, Brief aan Georgina Hübner in de hemel boven Lima.  Achteraf bleek Georgina een gefantaseerde creatie te zijn van twee mannen.  Twee jonge mannen.  Zij begonnen een correspondentie met de dichter in de hoop een gedicht van hem los te krijgen.  Dat verhaal neemt u als uitgangspunt voor uw roman.  Dat is het moment waarop u de realiteit gaat vermengen met fictie.  Want u brengt die twee mannen opnieuw tot leven.  U reconstrueert hun leven.  Niet op basis van feiten.  Wel op basis van uw literaire verbeelding.

 

U maakt van die twee jongelingen rijkeluiszoontjes.  Zij lanterfanten.  Hun toekomst lijkt al uitgetekend.  Zorgen hoeven zij zich niet te maken.  Hun fortuin is reeds verzekerd.  Alle keuzes lijken reeds gemaakt voor hen.  Afstuderen aan de universiteit om dan het bedrijf van vader over te nemen.  De twee jongelingen lijken dat alles te aanvaarden.  Protesteren doen zij weinig of niet.  Of toch.  In poëzie lijken zij een vorm van protest te ontdekken.  Zij spijbelen.  Een universitaire carrière schuiven zij aan de kant.  Zij willen schrijven.  Verhalen.  Gedichten.  Die wil tot schrijven ervaren zij als een eigen keuze.  De poëzie is geen door de familie gemaakte beslissing.  In de poëzie genieten zij van de ware vrijheid.  Jawel, de poëzie gaan zij beschouwen als een daad van verzet.  Een daad waarmee zij toch nog enige controle hebben over hun leven.  Over de richting die hun leven kan uitgaan.  De correspondentie met de schrijver zien de jongelingen als een manier om zich als schrijver te vervolmaken.  Om zich als schrijver te ontwikkelen.

 

Wat wij vervolgens zien is het ontstaan van een roman in een roman.  Want in uw roman laat u zien hoe de correspondentie zich ontwikkelt.  De brieven gaan over en weer.  Geen enkele brief blijft onbeantwoord.  Telkens weer moeten de jongelingen inventieve invalshoeken uitdenken om de interesse van de dichter vast te houden.  Zij moeten uitdenken hoe de dichter te verleiden.  Op een literair verantwoorde manier.  Dat laatste zijn zij verschuldigd aan de dichter.  Omdat zij menen dat een dichter snel zijn interesse zal verliezen als hun brieven slechts literaire prulletjes zouden zijn.  Zij worden uitgedaagd.  Wat als een grap begon wordt al snel ernst.  Bittere ernst.  Terwijl de correspondentie groeit, groeit ook uw roman.  Uw roman kan pas eindigen als de correspondentie eindigt.  Of dat gebeurt, kan en mag ik niet verklappen.  Uw roman stopt, dat mag ik gerust vertellen.  Dat is geen geheim.  Wat de reden is, is aan de lezer om te ontdekken.

 

U voert ons terug naar Lima.  Naar het begin van de twintigste eeuw.  U laat ons door de straten flaneren van de hoofdstad van Peru.  U toont ons de armoede.  U toont ons de rijkdom.  U laat ons kennismaken met de hoertjes.  U laat ons kennismaken met de studenten.  U plaatst ons midden in het revolutionaire vuur.  U doet ons tijdens stakingen in botsing komen met de gewapende arm der wet.  U laat ons de weelderige rijkdom zien.  U laat ons de vergane rijkdom zien.  Toch is dat nog niet alles.  U doet meer.  U doet de lezer nadenken over het schrijverschap.  U schrijft over de zoektocht naar inspiratie.  Over de noodzaak van een muze.  Over wat nodig is om een groot schrijver te worden.  U schrijft over het creëren van personages.  Over het inbeelden.  Over het verbeelden.  U schrijft over de nauwkeurigheid van het schrijven.  Over al die onderwerpen laat u de jongelingen en de Spaanse dichter hun licht schijnen.  Over al die onderwerpen ventileren zij.  De dichter en de jongelingen.  De jongelingen onderling.

 

Beste Juan.  Ik schrijf u een brief.  Niet in de hoop op een gedicht van u.  Niet in de hoop binnenkort een gesigneerd exemplaar van uw tweede roman te mogen ontvangen.  Neen, mijn beweegredenen zijn oprecht.  Ik schrijf u een brief omdat ik uw debuut las.  Omdat ik behoorlijk onder de indruk ben van uw debuut.  U hebt mij weten te verleiden.  Ik zat in uw verhaal.  Ik las en liet niet los.  Met de jongelingen keek ik vanop het dak naar de wereld onder hen.  Met de jongelingen schoof ik mee aan het tafeltje.  Op zolder.  Om die brieven te schrijven.  Ik heb mij geamuseerd.  Het was aangenaam vertoeven in Lima.  Om dat alles schrijf ik u een brief.  Om dat alles wil ik u danken.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak een Gratis Website met JouwWeb