Een Libanese oase in Gent. Brief aan Beiruti.

Gepubliceerd op 9 augustus 2021 om 12:57

Beste,

 

We hadden net een wandelzoektocht achter de rug.  Een wandeling van vijf kilometer, zo was het ons voorgesteld.  Het draaide anders uit.  Uiteindelijk werd het een wandeling van veertien kilometer.  Kaartlezen bleek dan toch niet onze sterkste kant.  We verdwaalden.  Dienden op onze stappen terug te keren.  Liepen straten vijf keer in en uit.  Het had heel wat voeten in de aarde om die eindmeet te bereiken.  Maar dan kwamen wij toch bij dat eindpunt.  Een luide zucht van verlichting.  Wij hadden honger.  Wij hadden dorst.

 

Lang hoefden wij niet te zoeken.  Wij hoefden niet nog eens de ronde van Gent te doen om een geschikt eetadresje te vinden.  Wij waren vooruitziend geweest.  Wij hadden gereserveerd.  Bij u.  U ontving ons.  Met open armen.  Dat zou een evidentie moeten zijn.  Toch is het dat niet.  Die natuurlijke vriendelijkheid is niet iedereen gegeven.  Laat mij evenwel duidelijk zijn, u en uw personeel grossiert in die vriendelijkheid.  Het lijkt wel alsof die warme vriendelijkheid door uw huis uitgevonden en verder op punt gesteld werd.  Wij voelden ons meteen welkom.  Dit was de juiste plek, dachten wij.  Zelfs nog voordat wij ook maar iets gegeten hadden.

 

Keuzestress, dat is wat ons vervolgens te wachten stond.  Zo leek het wel.  Maar alweer kwam u met een oplossing.  Omdat u de paniek in onze ogen las, deed u een suggestie.  Een suggestie dat onze keuzestress meteen aan de kant zette.  Wij waren met vijf.  U stelde het Mabrouk menu voor: 35 gerechtjes, te delen door zes personen.  Wij waren met vijf.  Dat zou zeker voldoende zijn.  Niemand van ons zou honger hoeven te lijden.  Iedereen van ons zou op die manier een ruime indruk krijgen van de Libanese keuken.  Vele Libanese heerlijkheden zouden op die manier aan ons gepresenteerd worden.  Wij hoefden niet te twijfelen.  Dit was het juiste voorstel.  U liet de schoteltjes aanrukken.

 

Wij werden overdonderd.  Een tsunami aan specialiteiten overspoelde onze tafel.  Onze grote comfortabele tafel werd plots een te klein tafeltje.  Elke vrije plek werd ingenomen.  Door een schoteltje.  Door een pannetje.  Door een potje.  Wij wisten niet waar eerst te kijken.  Wij wisten niet waar te beginnen.  Wij lieten ons heel even achterover leunen.  Om alles in ogenschouw te nemen.  Om overzicht te krijgen.  Om te weten welk gerechtje waar stond. 

 

De dans van de schoteltjes kon beginnen.  De schoteltjes gingen van hand tot hand.  Wij schepten op.  Nieuwsgierig naar al die schoonheid.  Naar al dat lekkers.  Het werd stil aan tafel.  Niet omdat wij te moe waren.  Niet omdat die moeheid ons verhinderde de juiste woorden te vinden.  Dat was het niet.  Dat was het geenszins.  Wij smulden.  Wij genoten.  Dat culinaire genot deed ons de woorden, die konden gezegd worden, vergeten.  Wij glimlachten.  Verder dan een ‘ooohhh’, een ‘aaahhh’ en een ‘jawadde’ kwamen wij niet.  Wij keken om ons heen.  Wij keken naar onze tafel.  Dit was de plek waar wij moesten zijn.  Dat wisten wij nu met zekerheid.  Hier kwam geen twijfel aan te pas.  Hummus Beiruti, babaghanouj, tabbouleh, fattoush, makdous, halloumi salade, soujouk, makanek, battata harra, aubergine bi thineh, … Ons klonk het als Latijn in de oren.  Als Chinees.  Alles was nieuw voor ons.  Maar dat hinderde ons niet.  Wij aten.  Wij smulden.  Wij vroegen nog maar eens een schoteltje te laten passeren.  Dit was een festijn.  Een eetfestijn.  Een culinair festijn.  Een vijfsterrenfestijn.  Dit was wat het moest zijn.  Een avond aan tafel met vrienden.  Rond die tafel enkel mensen die dat gevoel alleen maar wilden versterken.  Enkel mensen die alles in het werk stelden om ons een onvergetelijke avond te bezorgen. 

 

U was de perfecte gastheer.  U voelde ons perfect aan.  U las wat wij nodig hadden.  Vragen hoefden niet gesteld te worden.  Indien die toch gesteld werden, gaf u meteen het juiste antwoord.  Rustig.  Kalm.  Professioneel.  Wij voelden ons koning.  Koningin.  Keizer.  Keizerin.  Want zo was het dat wij werden bediend. 

 

U kon het niet weten.  Maar ik heb een droom.  Ooit hoop ik naar Libanon te kunnen.  De reden hiervoor kan ik niet zeggen.  Kan ik niet duiden.  Ik kan u niet zeggen waarom dat zo is.  Alleen voel ik dat zo aan.  Die droom is gegroeid.  Vanuit boeken.  Vanuit verhalen.  Vanuit foto’s.  Voorlopig is het mij nog niet gelukt.  Ik besef dat het ook niet voor onmiddellijk zal zijn.  Ik zal nog even moeten wachten.  Maar intussen liet u mij al even proeven.  Letterlijk en figuurlijk.  U liet mij even lopen langs de Bliss Street in Beiroet.  U liet mij even binnenspringen bij uw grootmoeder, de inspirator van uw gerechten.  Die avond was ik heel eventjes in Libanon.  Ik heb dat land gevoeld.  Ik heb dat land geproefd.  Het zit nu in mij.  Nog dieper.  Nog intenser.  U hebt die avond niet enkel mij gevoed.  U hebt evenzeer mijn droom gevoed.

 

Beste.  Ik wil u danken voor die fijne avond.  Voor die fantastische avond.  Die avond waren wij als vrienden nog dichter bij elkaar.  Het delen van voedsel brengt dat aparte en intense gevoel teweeg.  Dat delen voedde het enthousiasme.  Het plezier.  De levensvreugde.  Voor die bijna wonderlijke avond en dat intense gevoel willen wij u danken.  Uitgebreid en van ganser harte.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.

Links:

Beiruti - het restaurant.

Claymates - keramiek.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.