Uitgelezen: Cupido. Brief aan Kristiaan Vandenbussche.

Gepubliceerd op 4 augustus 2021 om 13:14

Beste Kristiaan,

 

In deze brief wil ik het hebben over uw debuut.  Over uw eerste boek.  Een thriller.  Maar vooraf zou ik willen terugkeren naar een ver verleden.  Bij wijze van inleiding.  Ik hoop dat u het mij toestaat.  Want via die omweg zullen wij dan uiteindelijk bij uw boek uitkomen.  Alle wegen leiden naar Rome.  Diezelfde wegen zullen ons dan ook wel naar uw boek leiden.  Toch? Ik doe dus een poging.

 

Dat verre verleden voert mij terug naar de zomervakantie.  De grote vakantie.  Ik moet terugdenken aan de reizen met mijn ouders, broers en zus.  Op die reizen namen we boeken mee.  Veel boeken.  Lezen was binnen het gezin een gedeelde passie.  Op elke reis werden wij vergezeld door Agatha Christie.  Door Leon Uris.  Door Alistair McLean.  Door Tom Clancy.  Thrillers en detectives, dat was onze favoriete vakantielectuur.  Onder een warme zon trachtten wij te achterhalen wie de dader was.  Trachtten wij uit te zoeken hoe de vork precies in de steel zat.  Slechts zelden lukte het ons.  Telkens weer waren wij verrast door de verrassende ontknoping.

 

Maar dan kwam plots die omschakeling.  Ik keerde mij weg van thrillers.  Ik keerde mij weg van detectives.  Ik ging mij richten op romans.  Een verklaring voor dat plotse afwenden kan ik niet geven.  Het gebeurde.  Plots.  Zomaar.  Soms kunnen dingen niet verklaard worden.  Dat moeten wij accepteren. 

 

Oude liefdes verdwijnen evenwel nooit.  Soms komen die opnieuw bovendrijven.  Zoals nu gebeurde.  Onlangs.  Ik liet mij opnieuw verleiden.  Ik greep opnieuw naar een thriller.  Uw boek voerde mij terug naar die zomermaanden uit een ver verleden.  Ik kreeg opnieuw goesting mij te verliezen in een goede thriller.  Ik wou de politie-inspecteur, die ergens diep in mij verborgen zit, opnieuw aan het werk zetten.  Al te lang had hij zitten wachten op een nieuwe opdracht.  Die goed verborgen inspecteur moest nu de dader aanwijzen.  Ik kan u nu al zeggen, het lukte mij opnieuw niet.  Nochtans lag het voor de hand.  Maar vaak worden voor de hand liggende dingen over het hoofd gezien.  U lijkt dat te weten.  Meer kan ik niet zeggen.  Meer mag ik niet zeggen.  Het leesplezier van potentiële lezers mag ik niet verknallen.  Ik zwijg dus.  Dat zwijgen is evenwel niet het einde van mijn brief.  Ik heb nog dingen te zeggen.  Andere dingen.

 

Het begint met vijf vrienden.  In een jeugdinstelling in Ruiselede.  Elk is daar om een reden terechtgekomen.  Drugs.  Financieel gesjoemel.  Huiselijk geweld.  Kleine criminaliteit.  Van elke protagonist krijgen wij het verhaal.  Het schrijnende verhaal.  Maar dat vertelt u als een terzijde.  Om de situatie te schetsen.  Want waar u zich werkelijk op fixeert is die ene uitstap.  Die ene uitstap op de fiets.  Die ene uitstap waarop het misloopt.  Eén iemand komt zwaar ten val.  Met ernstige tot zeer ernstige verwondingen.  U vertelt alles.  U beschrijft alles.  De val.  Het politieonderzoek.  De verdachtmakingen.

 

Dan maken wij een sprong in de tijd.  De vijf zijn op vrije voeten.  Trachten hun leven op de sporen te krijgen.  Voor de een lijkt het te lukken.  Voor de ander gaat het moeilijker.  Sommigen struikelen.  Anderen lijken aardig overeind te blijven.  In dat overeind blijven kunnen kleine dingen vaak helpen.  Kleine dingen die een godsgeschenk blijken.  Kleine dingen die een nieuwe start kunnen betekenen.  Dat hopen de vijf wanneer bij de renovatie van een huis, dat door één van de vijf werd aangekocht, plots een grote geldsom wordt gevonden.  Een kritisch lezer zou kunnen opwerpen dat dit toch echt wel ietwat geforceerd lijkt.  Maar dat is het niet.  Het kan kloppen.  Het huis was vroeger een bankkantoor.  Bij het uitbreken van de vroegere kluis wordt dat grote bedrag gevonden.  Het kan.  Het kan gebeuren.  Ik heb het al gelezen.  In de krant.  U weet, wat in de krant staat, gebeurt.  Gebeurt echt.  Plots lacht het leven de vijf toe.

 

Heel waarschijnlijk kent u Bredero.  U weet dus dat het kan verkeren.  Dat is dan ook wat u laat geschieden.  U laat het verkeren.  Plots gaat het de andere kant uit.  Wat een droom zou moeten zijn, wordt een nachtmerrie.  Twee van de vijf vrienden verongelukken.  In nogal verdachte omstandigheden.  Een vriendin van één van de vijf wordt vergiftigd.  De paranoia slaat toe bij de overlevenden.  Ze beginnen zich vragen te stellen.  Vragen waarvan zij ook de antwoorden willen weten.  Zij gaan op onderzoek uit.  Beginnen personen te verdenken.  Na een kalme start van het boek, schakelt u nu een versnelling hoger.  Enkele versnellingen zelfs.  Nu gaat het snel.  U springt van her naar der.  Niet van de hak op de tak.  Dat doet u niet.  U behoudt het overzicht.  Uw verhaal blijft consistent.  Ik moet in de achtervolging.  Mijn verdenkingen gaan heen en weer.  De ene keer verdenk ik de een.  De andere keer verdenk ik de ander.  Soms blijf ik met mijn verdenkingen binnen de vriendenkring.  Binnen de vriendenkring van de overlevenden.  Soms waag ik mij buiten die vriendenkring.  Ik sla tilt.  Ik sla op hol.  In het achtervolgen raak ik het overzicht kwijt.  Ik verlies die kleine details uit het oog.  Die kleine details die mij op het spoor van de dader zouden moeten brengen.  Maar zoals ik al zei, ik zie ze niet.  Ik ben ziende blind.  Ik raas doorheen de gebeurtenissen.  Ik spoed mij naar de ontknoping.  Omdat ik het wil weten.  Omdat ik het eindelijk wil weten.  Want ik ben onmachtig.  Een speurneus blijk ik opnieuw niet te zijn.  U brengt mij dus naar die ontknoping.  Een ontknoping die ik niet had zien aankomen.  U verrast mij.  Zoals dat moet.  Zoals dat hoort.

 

Het boek is uit.  Indien ik op reis was met mijn ouders, broers en zus, zou ik uw boek aan elk van hen aanraden.  Ik zou zeggen dat zij het boek moeten lezen.  Ik zou benieuwd zijn of zij het geheim zouden ontrafelen.  Of zij die kleine details zouden oppikken.  Ik betwijfel het.  Niet omdat ik twijfel aan hun intelligentie.  Dat durf ik niet.  Dat doe ik niet.  Wel omdat u het zo goed aanpakt.  U doet ons voorbijgaan aan vragen die wij misschien zouden moeten stellen.  U zet ons op het verkeerde been.  Op verkeerde benen is het moeilijk stappen.  Met verkeerde benen is het moeilijk een onderzoek tot een goed einde te brengen.  Dus neen, ook zij zouden het niet uitgeklaard hebben.  Ook zij zouden niet de juiste als dader aangewezen hebben.  Ik voel mij niet tekortschieten.  Net zoals mijn ouders, broers of zus niet zouden tekortgeschoten zijn.  Onze mislukking is uw verdienste.  Voor die verdienste heb ik alle lof.

 

Beste Kristiaan.  U voerde mij terug naar mijn oude liefde.  U liet mij opnieuw dat plezier ervaren.  Het plezier van de zoektocht.  Het plezier van het speuren.  Het plezier van het gokken.  Ik heb mij geamuseerd.  Ik heb mij enorm goed geamuseerd.  U hebt opnieuw die goesting aangewakkerd.  Wakker geschud.  U hebt mij opnieuw de kracht van een thriller getoond.  Die kracht zit hem in het volledig verlies van tijd en ruimte.  Ik wist niet meer waar ik was.  Ik wist niet meer hoe laat het was.  Het enige wat ik wel nog wist, was dat ik moest lezen.  Dat ik moest verder lezen.  Dat ik het boek niet aan de kant mocht leggen.  Voor dat alles wil ik u uitgebreid danken.  Van ganser harte.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.