Over de Mont Ventoux. Over het wielrennen. Brief aan Wout Van Aert.

Gepubliceerd op 13 juli 2021 om 13:25

Beste Wout,

 

Pas nu.  Pas nu ben ik in staat u een brief te schrijven.  Ik had het eerder willen doen.  Onmiddellijk na uw buitenwereldse prestatie op de Mont Ventoux.  Alleen, ik kon het niet.  U had mij met verstomming geslagen.  Ik was sprakeloos.  Met uw bovenwonderlijke actie had u mij beroofd van alle woorden.  Mijn woordenschat was leeggelopen.  Woorden, dat is nochtans wat een brief nodig heeft.  Zonder woorden geen brief.  Zo is het altijd al geweest.  Om die brief te schrijven, moest ik even herstellen.  Ik diende mijn vocabularium opnieuw op te bouwen.  Dat is mij nu gelukt.  Van woorden kan ik opnieuw hele zinnen maken.  Van hele zinnen kan ik opnieuw een brief maken.  Ik ben terug.

 

Sommige dagen zijn in het leven van een mens net iets belangrijker dan andere dagen.  Zo zou ik mij vorige woensdag blijvend herinneren als de dag waarop ik mijn tweede prik kreeg.  Als de dag waarop vrijheid mijn arm werd ingespoten.  Dat dacht ik.  Maar u besliste anders.  Die dag zou de dag van de Mont Ventoux worden.  Die dag zou de dag van Wout Van Aert worden.

 

Net vóór ik naar het vaccinatiecentrum reed, had ik de televisie aangeschakeld.  Ik zag u vooraan in het peloton.  Vooraan in de kopgroep.  Blijven kijken was geen optie.  Ik had een afspraak.  Die afspraak mocht ik niet missen.  Ik moest naar buiten.  Ik haastte mij met de fiets naar het vaccinatiecentrum.  Daar aangekomen leek het wel alsof iedereen wist dat ik zo snel mogelijk naar huis terug wou.  Er waren geen files.  Ik kon onmiddellijk bij een verpleegkundige.  De prik werd meteen gezet.  Enkel nog een kwartiertje verplicht wachten.  Om zo te zien of ik wel goed reageerde op de prik.  Tijdens dat kwartier kreeg ik een berichtje van mijn broer.  Via WhatsApp.  U zat op kop.  Alleen.  U reed iedereen uit het wiel.  Ik sprong op.  Zei tegen de dichtstbijzijnde vrijwilliger dat alles in orde was met mij.  Ik zei hem dat ik weg moest.  Naar huis.  Naar televisie.  Naar de Ronde van Frankrijk.  Ik weet niet of hij mij begreep maar ik was weg.  Ik sprong op mijn fiets.  In een rotvaart haastte ik mij naar huis.  Daar aangekomen plofte ik mij voor het scherm.  Ik keek.  In spanning.  Jawel, zei ik tegen mijzelf, het komt goed.  Ik keek.  Nagelbijtend.  Ik telde de kilometers af naar de top.  Ik telde de kilometers af naar de meet.  De eindmeet.  Want enkel aan de eindmeet kunnen dingen met zekerheid gezegd worden.  Op weg naar die meet blijft alles mogelijk.  Een valpartij.  Een lekke band.  Een verkeerde afslag.  Een onverwachte inzinking.  Onderweg kan dat alles gebeuren.  Maar niks van dat alles gebeurde.  De wielergoden namen u in bescherming.  Deze keer deden zij het goed.  U kwam aan.  Veilig en wel.  Als winnaar.  Winnaar van een legendarische rit.  Ik sprong uit mijn zetel.  Ik juichte.  Ik schreeuwde.

 

Voor die ritzege had ik u deze brief kunnen schrijven.  Die ritzege was meer dan reden genoeg.  Toch had ik nog een reden om u deze brief te schrijven.  U herstelde mijn liefde voor het wielrennen.  Die liefde was ik ergens onderweg kwijtgeraakt.  Ik haakte af.  Een precieze reden kan ik niet duiden.  Het gebeurde.  Zomaar.  In een geleidelijk proces.  Terwijl ik vroeger alle wedstrijden volgde op televisie, keek ik plots bijna of nooit meer.  Ik was het kwijt.  Mijn wielerenthousiasme was gedoofd. 

 

Toen kwam u in beeld.  U was mij niet onbekend.  Ik wist van uw bestaan als veldrijder.  Ik wist dat u ook actief was als wegwielrenner.  Dat alles wist ik.  U ziet, wereldvreemd was ik niet.  Toch besteedde ik daaraan nauwelijks enige aandacht.  Zoals ik reed zei, ik was het kwijt.  Het kon mij gestolen worden.  Maar toen kwam de Strade Bianche.  In 2019.  U won.  Op verbluffende wijze.  Ik zag de beelden in het journaal.  In een te korte samenvatting.  Plots zag ik het licht.  Zoals de Heilige Apostel Paulus op weg naar Damascus.  Dit was zo buitengewoon dat ik wist dat ik u diende te volgen.  Dat deed ik dan ook.  Want iets diep in mij wist te zeggen dat mooie dingen stonden te gebeuren. 

 

Alles begon rustig.  Eerder bescheiden.  Ik las de krantenartikelen over het wielrennen.  Heel af en toe keek ik opnieuw naar wedstrijden.  De goesting kwam terug.  Ik ging begrijpen wat ik gemist had.  Wat ik zo lang gemist had.  Het plezier.  De spanning.  Het meeleven.  Het inleven.  Het enthousiasme.  Ik had veel in te halen.  Want alles was weg.  De nodige kennis ontbrak mij.  Maar ik kon terugvallen op een heerlijke back-up.  Een collega.  Hij wist en weet alles van wielrennen.  Een wandelende encyclopedie.  Bij hem kon ik terecht.  Met vragen.  Hij gaf mij de antwoorden.  Hij analyseerde.  Ik luisterde.  Geleidelijk aan ging ik begrijpen dat wielrennen niet zomaar een sport was.  Het was wetenschap.  Wielrennen was allang geen spelletje meer.  Wielrennen was ernstig.

 

Nu kijk ik opnieuw.  Niet naar alle wedstrijden.  Net als een topwielrennen kies ik mijn wedstrijden uit.  Ik selecteer.  In die wedstrijden kies ik partij.  Voor u.  Uiteraard.  U volg ik.  U moedig ik aan.  Bij die wedstrijden zit ik opnieuw in mijn zetel.  Voor het scherm.  Ik spring op als u als eerste over de meet rijdt.  Ik zit in zak en as als u geen ereplaats bijschrijft op uw palmares.  Na de wedstrijd kijk ik uit naar maandag.  Het klinkt gek, toch is het zo.  Want maandag volgt de analyse.  Met mijn collega.  Hij verklaart.  Uw sterke momenten.  Uw zwakke momenten.  Hij ontleedt de wedstrijden.  Hij maakt voorspellingen.  Op basis van wat voorbij is.  Op basis van wat u presteerde.  Dat alles kan ik niet.  Te weinig onderlegd.  Maar een mens hoeft niet alles te kunnen.  Soms is het goed wijze vrienden te hebben.  Wijze vrienden die met graagte hun wijsheid delen.

 

Ik zal niet meer doen wat ik als jong broekventje deed.  Toen sprong ik na elke klassieker op mijn fiets.  Op die fiets werd ik de winnaar van de net voorbije klassieker.  In de straten rond mijn huis vervelde ik tot Eddy Planckaert.  Tot Hedwig Van Hooydonck.  Tot Eric Vanderaerden.  Wat zij wonnen, won ik ook.  In de straten rond mijn huis koerste ik het grootste palmares samen.  Alle klassiekers heb ik gewonnen.  Alle kampioenschappen heb ik gewonnen.  Alle rondes heb ik gewonnen.  In mijn hoofd was ik de grootste en tegelijkertijd de onbekendste wielerkampioen.  Dat alles doe ik nu als vijftigjarige niet meer.  Het zou nog kunnen.  Ik moet het onderdrukken.  Maar het plezier van het winnen voel ik nog.  Voel ik opnieuw.  Het plezier van de winnaar voel ik opnieuw.  Diep en intens.

 

Beste Wout.  Ik wil u danken.  Omdat u mijn enthousiasme voor het wielrennen reanimeerde.  Door wat u presteert.  Door de wijze waarop u presteert.  U doet mij opnieuw supporteren.  U doet mij opnieuw juichen.  U doet mij opnieuw genieten van een mooie sport.  Een mooie sport die tezelfdertijd hard labeur is.  Een sport waarin de gladiatoren zwoegen en zweten.  U staat mij toe toeschouwer te zijn.  Daarvoor wil ik u danken.  Uitgebreid en van ganser harte.  Dank.  Dank.  Dank.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Jeroen De Cocker
2 maanden geleden

Toffe collega!

Dirk Van de Heyning
2 maanden geleden

Prachtig geschreven. Enige opmerking; Wout won de Strade Bianche vorig jaar en niet in 2019.
Het is U vergeven
😀

Nancy Segers
2 maanden geleden

Beste brief schrijver. Strade Bianche was in 2020. Ik kijk ook naar Wout zijn wedstrijden.