Krijtcirkels en studenten, een steunbetuiging. Brief aan de studentes en studenten.

Gepubliceerd op 29 maart 2021 om 08:04

Beste studente,

Beste student,

 

De Overpoortstraat.  Ik fiets er graag doorheen.  ’s Morgens, op weg naar het werk.  ’s Avonds, op weg naar huis.  Een student durf ik mij niet meer te noemen.  Een jongeman ben ik niet meer.  Ik ben de vijftig voorbij.  Heel waarschijnlijk zal u mij beschouwen als een ouwe vent.  Dat is het gevolg van de getallen.  Getallen, die een leeftijd dienen te weerspiegelen.  Mijn leeftijd zou dus een grote afstand kunnen creëren.  Een afstand tussen mij en jullie.  Jullie, die ik durf te beschouwen als de jeugd.  Toch is dat niet zo.  Ik zelf voel die afstand niet.  Integendeel.  Ik voel mij een deel van jullie.  U kijkt vreemd op.  Dat hoeft helemaal niet.  Mijn dagelijkse fietstochten doorheen de Overpoortstraat brengen mij dichter bij jullie.

 

Heel waarschijnlijk zal u het niet beseffen maar u doet mij lachen.  Laat mij duidelijk zijn, uitlachen is hier niet aan de orde.  Daaraan durf ik mij niet te bezondigen.  U doet mij glimlachen.  Omwille van de sympathie die ik voel voor jullie.  Jawel, ik voel een warme sympathie voor jullie.  Onbewust brengt u een ode aan het leven.  Door de kracht waarmee u datzelfde leven omarmt.  Elke avond.  Elke morgen.  Ik mag daarvan getuige zijn. 

 

Ik mag elke morgen getuige zijn van die enkele feestvierders die waggelend huiswaarts keren of toch nog op zoek gaan naar een café dat open is.  Voor die allerallerlaatste.  Heel waarschijnlijk weten zij niet meer van welke parochie zij zijn.  Dat is niet nodig.  Ergens zullen zij wel een slaapplek vinden.  Ik lach die enkelingen toe.  Dat lijken zij te waarderen.  In ruil voor die lach heffen zij een lied aan.  Of moedigen mij aan.  Alsof zij supporters zijn en mij naar de zege in deze of gene wielerklassieker schreeuwen.  Jawel, dat alles zie ik gebeuren.  Elke morgen opnieuw.

 

’s Avonds is het anders.  Dan is er nog die belofte van de nacht.  Een nacht die nog open ligt.  Alles is nog mogelijk.  Elk verhaal kan nog geschreven worden.  Dat lijken jullie te beseffen.  Een besef dat een uitlaatklep vindt in jullie onstuimigheid.  Ik fiets langs jullie en ik weet wat zal gebeuren.  Jullie zullen drinken.  Jullie zullen zuipen.  Sommigen zullen zich geheel onthouden.  Jullie zullen dansen.  Jullie zullen springen.  Sommigen zullen vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.  Jullie zullen de liefde van jullie leven ontmoeten.  Althans, sommigen zullen dat doen.  Niet iedereen zal dat geluk mogen proeven.  Jawel, dat alles zie ik gebeuren.  Elke avond opnieuw.

 

Dat heerlijke schouwspel bieden jullie mij.  Dagelijks.  Ik ging beseffen dat jullie een onmisbaar deel zijn van Gent.  Van mijn stad.  Jullie zijn een deel zonder hetwelk Gent niet kan bestaan.  Zonder jullie is Gent onvolledig.  Maar dan werd plots alles anders.  De coronacrisis legde het leven plat.  Het werd stil.  Het werd leeg.  Onze ontmoetingen gingen tot een ver verleden behoren.  Wij zagen elkaar niet meer.  Ik reed wel nog door de Overpoortstraat.  Het was anders.  Helemaal anders. 

 

Niks is voor eeuwig.  Dat wordt wel eens gezegd.  Dat bleek ook nu.  Op het Sint-Pietersplein verschenen de krijtcirkels.  Een schitterend idee.  Een schitterend initiatief.  Jullie werden opnieuw uitgenodigd naar buiten te komen.  Het leven ging opnieuw lichtjes bruisen.  Want jullie aanvaardden de uitnodiging.  Jullie kwamen buiten en bezetten die cirkels.  In groten getale.  Opnieuw zag ik jullie.  Opnieuw ontmoette ik jullie.  Opnieuw ging ik glimlachen.  Heel voorzichtig.  Al te zeer bevreesd voor het tijdelijke karakter.  Intussen genoot ik van die momenten.

 

Ik begrijp jullie.  Ik begrijp dat jullie dat ene onderdeel van het studentenleven opnieuw opeisen.  Het sociale leven is een onlosmakelijk deel van het studentenleven.  Het een kan niet zonder het ander.  Jullie moeten ontmoeten.  Zo is het altijd geweest.  Dus, jawel, jullie rennen naar buiten.  Naar vrienden.  Naar vriendinnen.  Jullie bevolken de pleinen.  De parken.  Jullie maken Gent opnieuw volledig.

 

Helaas.  Ik zag wat gebeurde.  Ik ben niet blind.  Heel waarschijnlijk verwachten jullie nu te botsen op die ene MAAR.  Heel waarschijnlijk verwachten jullie nu dat ik alles wat ik voordien schreef in het licht van het gebeurde zal ontkrachten.  Zoals ik reeds schreef in het begin van deze brief, ik ben een ouwe vent.  U verwacht dus het vermanende vingertje.  U verwacht nu een klaagzang over de jeugd van tegenwoordig.  Dat zal ik nochtans niet doen.  Ik zal het niet doen omdat mijn oudere hart op een jeugdig ritme klopt.  Maar bovenal zal ik het niet doen omdat ik mij niet wil bezondigen aan het scheren over eenzelfde kam.  Ik huil niet mee met de wolven.  Een kleine minderheid mag de grote meerderheid niet in de schaduw stellen.  Ik isoleer de relschoppers en amokmakers.  Hen zal ik veroordelen.  Luid en krachtig.  Maar aan de overgrote meerderheid van jullie reik ik de hand.  Die overgrote meerderheid blijf ik steunen.  Jullie wil ik blijven ontmoeten.  Op jullie uitbundige wijze.  Op jullie enthousiaste wijze.  Aan jullie wil ik vragen Gent opnieuw te doen bruisen.  Met inachtname van de geldende coronamaatregelen.  Zoals velen van jullie doen.  Zoals een overgrote meerderheid van jullie doet. 

 

Ik weet dat ik met dit schrijven de horeca over me heen zal krijgen.  Net als de zorgverleners.  Net als de niet medische contactberoepen.  Net als de niet essentiële winkels.  Dat risico neem ik graag.  Ik neem het op voor jullie.  Omdat jullie herinneringen moeten verzamelen.  Omdat wij jullie moeten toelaten rebels jong te worden en te blijven.  Zodat jullie, net als jullie stad, volledig kunnen zijn.  Volledige, jonge mensen.  Daarom dus deze brief.  Deze steunbetuiging.

 

Beste studente.  Beste student.  Ik stap opnieuw mijn fiets op.  Ik passeer langs het Sint-Pietersplein.  Ik rij doorheen de Overpoortstraat.  Ik kijk jullie in de ogen.  Ik geloof dat het goed komt.  Ik geloof dat het goed komt met ons allemaal.  Wanneer? Dat kan ik niet zeggen.  Dat durf ik niet te zeggen.  Wel durf ik te hopen.  Ik durf te hopen dat alles spoedig goed komt.  Dat zou mooi zijn.  Ik wens jullie intussen het allerbeste.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Justine
6 maanden geleden

Prachtig geschreven. Bedankt hiervoor, doet deugd om te lezen.
Groetjes,
Een student :)

Thomas
6 maanden geleden

Bedankt Wim voor de wondermooie woorden! Bij het lezen van de meeste berichtgeving zakt de moed in de schoenen, maar dit doet me heel goed voelen.

Karla Persyn
6 maanden geleden

Ja, ik hoop ook op de terugkomst van allen , student, supporter, Gentenaar...laat ons dat maar samen doen hé . Alvast bedankt !

Nele
6 maanden geleden

Ik kan dit alleen maar onderschrijven. Ik ben twee jaar geleden naar hier komen wonen, al jaren verliefd op het bruisende karakter van de stad. Dat wat ik ook mijn kinderen wou laten ervaren en voelen. Dat wat ik nu zo erg mis.

Karo Demaertelaere
6 maanden geleden

Heel mooi, oprecht geschreven.... denk er net zo over. We leven in hoop, een mooie heldere toekomst. Dat alles weer wordt zoals voorheen, misschien beter. Laat ons allen daarop hopen. Gent leeft ook al is het nu heel stil.... laat het weer bruizen van plezier

Daniel Van haecke
6 maanden geleden

Mooi verwoord! Prachtig!

Christophe Vermeire
6 maanden geleden

Mooi geschreven, bedankt Wim Backx. Mild zijn en elkaar steunen en erkennen in de moeilijkheden, dàt gaat ons vooruit helpen.

Maak een Gratis Website met JouwWeb