Uitgelezen: De kolibrie. Brief aan Sandro Veronesi.

Gepubliceerd op 25 november 2020 om 13:12

Beste Sandro,

 

Het overkwam mij. Zomaar. Plotsklaps. Ik had net uw boek uit. Op dat specifieke moment gebeurde het. Het kan vreemd lijken. Toch was het zo. Liegen doe ik niet. Dat heet een doodzonde te zijn. Ik hou mij aan de waarheid. Of tracht die waarheid toch zo dicht mogelijk te benaderen. Wat ik nu zal vertellen, gebeurde dan ook echt. Ik kon uw boek niet aan de kant leggen. Ik drukte uw boek tegen mij aan. Een natuurlijke reactie, zo lijkt het mij. Afscheid nemen van schoonheid valt zwaar. Ik wou terug naar het boek. Ik wou terug naar Marco. Naar Adele. Naar Miraijin. Ik wou hen niet loslaten. Ik wou hen nog even dicht bij mij. Om heel zachtjes los te laten. Tegen mijn zin. Zoveel is zeker. Maar ik kon het niet maken. Ik kon niet door het leven gaan met een boek dicht tegen mij aan gedrukt. Mensen zouden vreemd opkijken. Zij zouden mij gek verklaren. Enkel en alleen daarom legde ik het boek aan de kant. Omdat ik niet als gek door het leven wou.

 

Heel waarschijnlijk zal u zich de vraag stellen vanwaar die vreemde reactie komt. De geestelijke gezondheid van uw lezers ligt u na aan het hart. Dat meen ik te mogen geloven. Een verklaring voor die reactie is nochtans vrij eenvoudig. Antwoorden hoeven niet altijd complex te zijn. U weet als geen ander personages te creëren, waarvoor de lezer enkel sympathie kan opvatten. U ziet, zo eenvoudig kan een antwoord zijn. Die sympathie is warm. Intens. Ik mocht het aan den lijve ondervinden. Met oogarts Marco ontwikkelde ik een innige vriendschapsband. Een onbreekbare band. Bestand tegen alle rampspoed. Want als één ding met zekerheid kan gezegd worden is het wel dat Marco in zijn leven wordt geconfronteerd met de nodige rampspoed.

 

Uw verhaal begint in de wachtkamer van Marco. Hij krijgt het bezoek van de psychoanalyticus van zijn vrouw. Hij komt Marco waarschuwen. Dat is het begin. Na dat begin vertelt u het verhaal van Marco. U kijkt achterom. U blikt vooruit. Dat doet u niet in chronologische volgorde. U maakt grote tijdsprongen. Vooruit. Achteruit. U schakelt vlotjes tussen verleden, heden en toekomst. Om op die manier een totaaloverzicht te krijgen. U leidt ons naar het begin en voert ons naar het einde. Het begin en het einde van Marco’s leven. Tussen die alfa en omega schetst u de rampen. De kleine rampen. De grote rampen. De zelfmoord van zijn zus. Het moeilijke huwelijk van zijn ouders. Een broer in Amerika waarmee alle contact verbroken is. De psychische problemen van zijn dochter. Ik kan nog wel even doorgaan. Het lijstje is heel wat langer. Eén ding is zeker, u legt alles bloot. U onthult alles. Geen geheimen. Marco wordt voor ons een open boek.

 

Ik had het reeds over de chronologie. Of juist een gebrek aan chronologie. Net zoals u vlotjes schakelt in jaartallen, schakelt u ook vlotjes in stijlen. U brengt ons het verhaal via brieven. Via mails. Via telefoongesprekken. Via overpeinzingen. Dat alles verweeft u vernuftig doorheen het eigenlijke verhaal. Dat zou best verwarrend kunnen zijn. Dat zou de vlotheid van het lezen kunnen verstoren. Dat doet het niet. Integendeel. Het brengt de lezer nog dichter bij Marco. De band met Marco wordt daardoor nog intiemer. Stilaan wordt iemand die ik niet kende mijn beste vriend. Want wie laat iemand toe zijn brieven te lezen. Zijn mails te lezen. Zijn telefoongesprekken mee te volgen. Dat kan enkel een beste vriend zijn. Enkel aan hem wordt dat alles toegestaan.

 

Geconfronteerd met zovele tegenslagen zou een mens al eens denken dat de betrokken persoon zijn leven helemaal overhoop gooit. Dat hij drastische beslissingen neemt en zijn leven een heel andere richting uitstuurt. Dat hij breekt met vastgeroeste gewoontes en voor zichzelf een nieuwe toekomst uittekent. Dat hij alles achterlaat en de wereld instapt. Dat zou een mens kunnen denken. Omdat diezelfde mens denkt dat verandering en vooruitgang een noodzaak zijn. Dat verandering en vooruitgang de kern van het leven zijn. Omdat stilstand achteruitgang zou betekenen. Dat alles doet Marco net niet. Ondanks alle tegenslagen blijft Marco doen wat hij altijd doet. Ondanks alle tegenslagen gaat hij niet ten onder. Hij blijft overeind. Ondanks alle tegenslagen blijft zijn liefde voor het leven intact. Dat is niet evident. Dat is best moeilijk. Maar het lukt. Met de hulp van zijn dochter. Met de hulp van zijn kleindochter. Dat triumviraat vermurwt mij. Doet mij smelten. Laat mij vallen voor Marco. Dat driemanschap zorgt er uiteindelijk voor dat ik het boek moeilijk aan de kant kan leggen. Want in die warmte wil ik mij blijven nestelen. Aan die warmte wil ik mij blijven warmen.

 

Dat driemanschap is niet de enige reden van mijn verknochtheid aan uw boek. Er is nog een andere. U hebt mij doen huilen. Niet een maal. Wel twee maal. Toen u schreef hoe ouders bang zijn voor dat ene telefoontje in de nacht. Dat ene telefoontje van een politieagent. Toen kon ik het niet houden. Ik heb nochtans geen kinderen. Toch kon ik het begrijpen. Omdat ik plots inzag wat mijn ouders hebben moeten doorstaan telkens ik ’s avonds de deur achter mij dicht sloeg. Op weg naar jeugdig avontuur. Dat was de schoonste passage. Althans, dat dacht ik. Maar toen moest ik het einde nog lezen. Een einde waarbij ik mijn ogen niet droog kon houden. U schrijft over het einde van een leven. Terwijl ik dat lees, denk ik aan mijn einde. Aan hoe mijn einde zou kunnen zijn. Die gedachten razen door mijn hoofd terwijl ik lees over het einde van Marco. Aangrijpender kan niet. Aangrijpender bestaat niet. Op een dergelijke wijze ontroerd worden lijkt mij de mooiste beloning voor een lezer.

 

Nog een ding wil ik u schrijven. Ik hoop dat vele mensen uw boek zullen lezen. Dat ik die vele mensen mag ontmoeten. In Gent. In België. In de wereld. U zal het misschien niet geloven. Toch zal het zo zijn. Ik zal hen herkennen. Aan die lichtjes in hun ogen. In die lichtjes zal ik zien dat zij uw boek gelezen hebben. Dat zij op eenzelfde manier ontroerd werden als ik. Dat zal ik zien. Ik zal hen niet aanspreken. Ik zal enkel knikken. Kort. In die korte hoofdknik zal vervat zitten dat wij getuige geweest zijn van eenzelfde schoonheid. Dat wij deelgenoot zijn van een prachtige ervaring.

 

Beste Sandro. Ik zou u willen danken. Nochtans is een dankwoord te beperkt. Te beperkt om uit te drukken wat u voor mij hebt gedaan. Wat u met mij hebt gedaan. Het mag iets groter zijn dan enkel een dankwoord. Ik wil u omarmen. Ik wil u knuffelen. Ik wil u zeggen wat uw boek voor mij betekend heeft. Terwijl ik dat zal zeggen, weet ik nu al dat ik opnieuw zal huilen. Voor de derde maal. Maar dat is niet erg. Ik zal het toelaten. Omdat die tranen misschien de beste illustratie zullen zijn van mijn dankbaarheid. Mijn dankbaarheid voor uw woorden. Mijn dankbaarheid voor uw verhaal.  Mijn dankbaarheid voor uw boek.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.