Uitgelezen: Cliënt E. Busken. Brief aan Jeroen Brouwers.

Gepubliceerd op 5 augustus 2020 om 13:10

Beste Jeroen,

 

U werd tachtig dit jaar. Dat was niet onopgemerkt aan mij voorbijgegaan. Toch had ik u geen verjaardagswensen overgemaakt. U moet het mij vergeven. Ik achtte de afstand tussen ons beiden te groot. U bent schrijver. Ik ben lezer. Intiemer zal onze relatie nooit worden. Voor mij is dat meer dan voldoende. Niet enkel is dat meer dan voldoende. Die te grote afstand doet mij beseffen dat het schrijven van wensen niet op zijn plaats was. Een mens moet nu eenmaal zijn plaats kennen. Bescheidenheid schijnt een mooie deugd te zijn.

 

Die afstand lijkt wat te verkleinen als ik één van uw boeken lees. Dan lijkt het alsof wij elkaar nader zijn. Alsof wij tijdens het lezen in elkaars gezelschap vertoeven. Alsof u over mijn schouders meekijkt. Meeluistert. Nieuwsgierig naar mijn reactie. Dat gevoel van nabijheid lijkt mij het perfecte excuus om u aan te schrijven. Om u te mogen aanschrijven. Onze ‘werkrelatie’ is het perfecte alibi om u een brief te schrijven. Die brief moet enkel een voorwerp hebben. Inhoudsloos schrijven is niet aan mij besteed. Bovendien meen ik dat inhoudsloze brieven een aanslag plegen op uw tijdsbesteding. Een tijdsbesteding, waarvan ik enkel mag veronderstellen dat u deze nuttig tracht in te vullen. Daarom wachtte ik met die brief. Tot ik het moment juist achtte. Dat juiste moment was uw nieuwste boek. Uw nieuwste boek heb ik gelezen. Een brief kon geschreven worden.

 

Ik ben nog jong. Jawel, tweeënvijftig durf ik nog jong te noemen. Toch durf ik, ondanks die jeugdigheid, toch al eens vooruit te blikken. In die vooruitblik heb ik voor mezelf een aantal mogelijke scenario’s uitgesloten. Naar een rusthuis wil ik niet. Nu niet. Nooit niet. Dat staat als een paal boven water. De redenen hiertoe heb ik nooit helder kunnen formuleren. Het was eerder een aanvoelen. U maakt dat aanvoelen in uw nieuwste boek concreter. Of anders gezegd, cliënt E. Busken, het hoofdpersonage van uw boek, maakt dat aanvoelen concreet. Na een noodlottige val wordt hij opgenomen in Huize Madeleine. In die zorginstelling neemt hij een nogal drastisch besluit. Hij besluit te zwijgen. Nooit nog zal hij iets zeggen.  Hij wenst zich afzijdig te houden en voorbij te gaan aan de door hem vastgestelde leegheid van de gesprekken om zich heen.

 

Dat kan nogal een uitdaging zijn voor een schrijver. Maar u vindt een oplossing. U verschaft de lezer toegang tot zijn hoofd. Tot zijn gedachten. Die gedachten staan niet stil. Geen moment. Zijn oordeel over de zorginstelling is vernietigend. Net als zijn oordeel over het personeel. Hij acht zich superieur. In alles. Aanvankelijk scharen wij ons achter deze verzetsman. Wij vatten sympathie op voor de goed geformuleerde kritieken op de instelling. Wij juichen als hij zich ergert aan de infantiele bejegening. Wij juichen als hij de instelling een vrijheidsberovende firma noemt. Wij juichen als hij patiënten gelijkstelt met gedetineerden. Wij juichen als hij zich uitermate stoort aan de leegheid van bezigheidstherapieën als bingoavonden en creatief knutselen. In zijn oordeel is hij hard. Vernietigend. Hij kent geen pardon. Geen medelijden. Iedereen moet het ontgelden. Verplegenden. Leidinggevenden. Verzorgenden. Psychiaters.

 

Ik merk bij mijzelf dat ik aanvankelijk meega in die vlijmscherpe kritiek. De scherpheid van formuleren is soms hilarisch. Heel soms moet ik glimlachen. Heel soms moet ik instemmend knikken. Wij lijken elkaar gevonden te hebben in onze afkeer voor rusthuizen. De zorginstelling is niet enkel de vijand van cliënt E. Busken. De zorginstelling wordt ook mijn vijand.

 

Maar dan komt het moment waarop ik afstand neem. Ik begin mij te storen. Aan het superieure. Aan het elitaire. Aan het intellectuele. Aan de manier waarop hij neerkijkt op het klootjesvolk. Want één ding is zeker, hij staat boven alles. Hij staat boven iedereen. Cliënt E. Busken torent hoog boven iedereen uit. Naarmate dat superioriteitsgevoel verergert, merk ik gaten in zijn verhaal. Ik ga twijfelen aan de man. Die twijfel wordt groter naarmate zijn gedachten verwarder worden. Want dat gebeurt. Gedachten worden niet meer afgemaakt. Hij springt van de hak op de tak. Hij neemt zijn grootste fantasieën voor waarheid aan. Geleidelijk aan verwatert de werkelijkheid en verliest hij zich in een droomwereld. Megalomane wanen worden het genoemd. Omdat zijn talenten nooit werden onderkend. Omdat zijn ambities stelselmatig worden gefnuikt. Het wordt duidelijk dat de psychiaters, die door E. Busken worden verguisd, het dan toch bij het rechte eind hebben. Dat is het moment waarop ik van kant wissel. Dat is het moment waarop ik mij achter de verplegenden schaar. Dat is het moment waarop ik partij kies voor de zorginstelling.

 

Het was een opgave uw boek uit te lezen. Tot aan het einde. U hoeft niet te schrikken. Deze bekentenis moet u niet gelijk stellen met een afwijzing. U hoeft niet te denken dat deze bekentenis inhoudt dat ik uw boek een slecht boek zou noemen. Integendeel. Uw boek is een goed boek. Een heel goed boek. Alleen vraagt het een inspanning van de lezer om in het hoofd van cliënt E. Busken te blijven. De lezer moet continu weerstaan aan de neiging uit dat hoofd te stappen en de deur voorgoed dicht te slaan. Aan die neiging hebt u alle verdienste. U weet al die gedachten in een hels en niet te stoppen tempo weer te geven. De snelheid waarmee hij zijn gedachten formuleert is fenomenaal. Bovendien koppelt u die snelheid in een latere fase aan een hoge mate van verwardheid. Die combinatie doet mij regelmatig naar adem happen. Om bij te blijven. Om niet te lossen. Uw prachtig geconstrueerde zinnen houden mij evenwel bij de les. Laten mij toch nog in dat hoofd blijven. Dat hoofd, vol gekke ideeën en gedachten.

 

Aanvankelijk dacht ik in uw boek een aanklacht te lezen. Tegen de zorginstellingen. Tegen de rusthuizen. Aan het eind van uw boek weet ik het niet meer. Ik twijfel. Misschien moet ik in uw boek een lofzang lezen op de zorgsector. Omdat zij, ondanks alles, toch weer elke dag de moed vinden om te blijven doorgaan. Omdat zij, ondanks alles, toch weer elke dag de nodige professionaliteit blijven vinden om te diagnosticeren en te verzorgen. Op een juiste manier. Op een waardige manier.

 

Beste Jeroen. U werd tachtig. Ik kocht u geen cadeau. Ik bleef in gebreke. Dat doet u niet. U schenkt mij met uw nieuwste boek een mooi cadeau. Een mooi cadeau dat enige inspanning vraagt maar bovenal veel voldoening schenkt. Dat stemt mij blij. Dat maakt mij blij. Daarom wil ik u danken. Van ganser harte.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.