Mouchette van Arne Sierens, gezien in de Minard. Brief aan Anemone Valcke en Wouter Bruneel.

Gepubliceerd op 2 maart 2020 om 12:41

Beste Anemone,

Beste Wouter,

 

(Beste Arne),

 

Eén uur tien minuten. Bij het binnengaan van de zaal vroeg ik mij af of het mogelijk was. Of het mogelijk was binnen dat tijdsbestek een verhaal te vertellen. Een verhaal met een begin. Met een midden. Met een eind. Ik zou het niet kunnen. Dat is iets wat zeker is. Binnen die zeventig minuten zou ik zelfs niet tot een begin komen. Om dat te kunnen, hebben we vakmannen nodig. Mannen die de ambacht van het schrijven onder de knie hebben. Die mannen kunnen het. Meer nog, binnen die beperkte tijdspanne slagen die mannen er bovendien in een meeslepend verhaal te schrijven. In Gent hebben wij één van die mannen. Arne Sierens, dat is zijn naam. Zijn naam is synoniem geworden van kwaliteit. Jawel, zijn naam is een kwaliteitsgarantie. Die aanvankelijke twijfel bij het binnengaan van de zaal was dus helemaal niet nodig. Ik wist dat het kon.

 

Een veertienjarig meisje. Op haar schouders rust een verantwoordelijkheid die niet op de schouders van een veertienjarige zouden mogen rusten. Die nooit op de schouders van een veertienjarige zouden mogen rusten. Zij bereddert het huishouden. Zij verzorgt haar zieke moeder. Haar kleine zusje. Naar school gaan doet zij enkel als het kan. Als het mogelijk is. Spijbelen verheft zij tot een kunst. Alle uitvluchten en leugentjes heeft zij al gebruikt. Meer dan het afmaken van de school is zij bekommerd om het bijeenhouden van het gezin. Dat is haar hoofdbekommernis. Het gezin mag niet uiteen gespeeld worden. De waarheid over haar situatie moet verzwegen worden. Uit angst voor een pleeggezin. Een nieuwe waarheid wordt bijeen gelogen. De fantasie van het meisje is onuitputtelijk. Telkens vindt zij een uitweg.

 

Het meisje dreigt in te storten. Zij wankelt. Ternauwernood blijft zij overeind. Omdat het moet. Want wie zou anders aan het roer moeten staan? Niemand. In haar afwezigheid zou het schip ondergaan. Daarom gaat zij door. Pakt zij zich telkens op. Raapt zij zich telkens bijeen. Praten met iemand kan zij niet. Op school wordt zij bespot door haar schoolmaatjes. Wordt zij bekritiseerd door haar leerkrachten. Thuis vindt zij geen klankbord. Thuis moet zij enkel zorgen en verzorgen. Niks anders. Bij niemand kan zij terecht. Of toch niet. Haar knuffelbeer. Die luistert. Elke keer weer. In de armen van de knuffelbeer vindt zij dat beetje troost.

 

Toch is er niet enkel de knuffelbeer. Er is ook die ene klaploper, Arsène. Een moordenaar, zo wordt hij genoemd in het dorp. Het volkstribunaal aka roddelcircuit heeft hem die ‘eretitel’ geschonken. Die kwijtraken is geen evidentie. Die blijft kleven. Voorgoed. Het meisje en de klaploper. Zij lijken elkaar gevonden te hebben. Terwijl ik kijk, stel ik mij die ene vraag. Of het wel een gezonde relatie kan zijn. Een minderjarig meisje. Een oudere man. Het zou kunnen overhellen naar de verkeerde kant. Naar de foute kant. Naar die kant waarbij slachtoffers worden gemaakt. Toch gebeurt het niet. Het balanceert op het lijntje. Om telkens weer naar de goede kant over te hellen. Dat stelde mij gerust.

 

Een zielig slonsje en een rauwe ‘moordenaar’. Elkeen heeft zo zijn besognes. Elkeen vecht een strijd. Maar aan het eind lijkt het dan toch goed te komen. Het meisje schittert op het podium. De man hervindt zijn liefde. Zij lijken het geluk gevonden te hebben. Alleen weet ik niet of dat geluk standvastig is. Of dat geluk definitief verworven is. Ik weet het niet. Net zoals het meisje het niet weet. Net zoals de man het niet weet. Samen met hen kan ik enkel hopen. Ik kan enkel hopen dat het goed komt. Voor beiden. Want dat is wat ik wens.

 

In mijn inleiding had ik het over het vakmanschap van Arne Sierens. Omwille van dat vakmanschap kan ik enkel blij zijn dat hij terug is. Hij zit nog niet onder dak maar dat doet er niet toe. Hij is terug, dat telt. Een kniesoor zou kunnen zeggen dat hij terugkomt met een herneming. Een te gemakkelijke rentree, zou diezelfde kunnen beweren. Een kniesoor ben ik evenwel niet. Mij zal u dat dus niet horen zeggen. Want ook in de herneming moet geschitterd worden. Ook in de herneming ligt de lat hoog. Om te kunnen schitteren weet Arne telkens de juiste acteurs en actrices te kiezen. Ook daarin is hij een vakman. Hij schenkt hen niet enkel een tekst. Hij schenkt hen ook een podium.

 

Jullie stonden deze keer op het podium. Voor deze voorstelling. Net zoals ik deed bij Arne, moet ik het nu doen bij jullie. Neen, ik moet het niet doen. Ik mag het doen. Moeten klinkt al te veel als een verplichting. Alsof ik jullie iets verschuldigd zou zijn. Dat is het niet. Daarom dus, ik mag het doen. Want ook op het podium zag ik vakmanschap. Het vakmanschap van de speelkunst. Jullie doen wat acteurs moeten doen. Jullie spelen. Jullie vertalen een tekst naar het podium. Jullie doen dat op overtuigende wijze. Op een dergelijke wijze dat het publiek niet aan de kant kan blijven. Jullie nemen ons mee naar school. Wij ontmoeten elkaar op straat. Jullie nodigen ons uit in huis. Wij lopen met jullie mee. Meer nog, wij voelen met jullie mee. Wij voelen uw pijn. Uw eenzaamheid. Wij voelen die hunkering. Dat verlangen. Naar warmte. Naar begrip. Naar rust. Rust om u heen. Rust in uw hoofd. Wat wij zien en horen, het komt binnen. Wij ontvangen alles. Luid en duidelijk.

 

Aan het eind klinkt luid en lang applaus. Terecht. Volledig terecht. Wij zijn ontroerd door uw spel. Jullie zijn ontroerd door onze reactie. Ik zie zelfs een traantje bij u, Anemone. Snel veegt u die weg. Ik had dat willen doen. Voor u. Ik wou het podium opstappen. Ik wou jullie omhelzen. Ik wou met jullie de Gentse nacht in. Veel zou ik niet zeggen. Ik zou enkel zeggen dat het goed was. Dat het oneindig goed was. Dat zou ik herhalen. Ontelbare keren zou ik het herhalen. In die herhaling zou de superlatief van goed vervat zitten. Ik heb het niet gedaan. Die oneindige en herhaalde lofzang zou jullie slechts vervelen. Ik bleef dus waar ik was. Maar toen ik naar huis reed, deed ik toch dat ene. Bij mezelf herhaalde ik dat het goed was. Dat het zeer goed was.

 

Beste Anemone. Beste Wouter. (Beste Arne). Ik wil jullie danken. Voor een fijne avond. Voor een wonderlijke avond. Voor een aangrijpende avond. Voor die zeventig minuten naar de keel grijpende schoonheid wil ik u danken. Van ganser harte.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak een Gratis Website met JouwWeb