Uitgelezen: Jij bent van mij. Brief aan Peter Middendorp.

Gepubliceerd op 16 oktober 2019 16:35

Beste Peter,

 

Een eerste keer gebeurde het op het vliegtuig. Wij vlogen terug van Kreta. Ik las uw boek. Mijn buur aan de andere kant van het gangpad vroeg mij waarover het boek ging. Ik durfde het hem niet te vertellen. Ik durfde niet te zeggen dat uw boek over de verkrachting van en moord op een minderjarig meisje ging. Niet alleen omdat ik vreesde dat alle koppen in het vliegtuig zich naar mij zouden keren. Ik zweeg omdat ik tegelijk meende dat die al te beknopte omschrijving oneer zou doen aan uw werk. Daarom reikte ik hem als antwoord uw boek aan. Zodat hij op de achterflap iets uitgebreider kon lezen waarover het boek precies ging. Want uw boek terugbrengen tot enkel die verkrachting zou te beperkend zijn. Uw boek gaat over meer.

 

Het bleef niet bij die eerste keer. Het gebeurde ook een tweede keer. Toen een collega mij vroeg waarover uw boek ging. Tijdens de middag zat ik aan mijn bureau uw boek te lezen. Mijn collega sprak mij aan. Stelde die ene vraag. Alweer durfde ik niet te spreken. Alweer reikte ik als antwoord uw boek aan. Zodat hij kon lezen. Zodat ik kon zwijgen. Onwennig ongemak deed mij zwijgen. Dat gebeurt niet vaak. Van nature uit ben ik een vlotte prater. Alleen leek het niet te lukken bij vragen over uw boek. Dan blokkeerde ik.

 

Die tijdelijke onmondigheid kan ik verklaren. Ik was in de war. Uw boek had mij in uw greep. Terwijl ik uw boek las, was ik niet in staat een juiste houding te bepalen. Een juiste houding tegenover de verkrachter. Tegenover de moordenaar. Die onmogelijkheid werkte verwarrend. Ik wist niet wat ik nu juist moest denken. Ik twijfelde of het toegestaan was enig begrip te kunnen opbrengen voor de omstandigheden die uiteindelijk tot die ene daad leidden. Want in uw boek getuigt de dader. Hij vertelt zijn verhaal. Daarvoor gaat hij terug in de tijd. Hij vertelt over zijn jeugd. Over zijn vader en moeder. Hij vertelt over zijn huwelijk. Over zijn vrouw. Hij vertelt over de geboorte van zijn dochter. Over zijn dochter, die zijn oogappel is.

 

Wat ik nu ga schrijven, zal ik misschien niet heel juist verwoorden. Ik besef dat de juiste woorden hier nodig zijn. Ondanks dat besef doe ik een poging. Het levensverhaal van de dader lijkt alles in zich te hebben om tot die ene daad te komen. Het lijkt alsof hij tot die ene daad gebracht wordt. Alsof die daad het logische gevolg is van alles wat voorheen gebeurde. Terwijl ik dit schrijf, lijkt het alsof excuses voor die ene daad mogelijk zijn. Alsof die ene daad kan verschoond worden. Bijna lijk ik die excuses te aanvaarden. Tegelijk wijs ik mijzelf ook terecht. Dat excuses nooit kunnen. Dat excuses nooit mogen. Als ik mij enkel focus op die ene daad is het makkelijk. Dan kan ik die daad snel veroordelen. Als ik mij op het grotere verhaal richt, wordt het moeilijker. Dan zie ik niet enkel de dader. Dan zie ik ook de vader. De man. De zoon. De boer. Dat voortdurende schipperen doet mij duizelen. Doet mij soms twijfelen aan mijzelf. Dat te moeten vaststellen, kan best ontwrichtend werken. Kan best heel verwarrend werken. Jawel, die vaststelling doet mij soms zwijgen.

 

Toch is het niet enkel die ene daad die mij aan uw boek bindt. Nog andere dingen doen mij steeds weer naar uw boek grijpen. De verteller in uw boek is de dader. Dat weten wij als lezer. Die voorkennis hebben wij. Alles wat verteld wordt in het boek, zullen wij aan die kennis aftoetsen. Op die manier krijgt de relatie tussen vader en dochter een heel andere lading. De onschuld verdwijnt. De wijze waarop de vader over zijn dochter vertelt, is niet langer onschuldig. Het lijkt alsof de vader op het randje wandelt. Wat voordien als onschuld zou geduid worden, voelt nu enigszins ranzig aan. Om zijn dochter te beschermen lijkt het wel alsof hij noodgedwongen een ander slachtoffer moet zoeken. Om zo zijn dochter te kunnen sparen. Dat is wat ik met die voorkennis denk. Terwijl het zonder die voorkennis een heel ander verhaal had kunnen zijn. Het verhaal van een vader die uitstekend opschiet met zijn dochter. Vader en dochter als allerbeste vrienden. Dat had het kunnen zijn. Zonder die ene verkrachting. Zonder die ene moord. Die voorkennis kleurt alles anders. Met die voorkennis wordt het hele levensverhaal van die man anders gelezen. Onschuld bestaat in dit verhaal niet langer.

 

U schetst niet enkel het gezin. U verhaalt niet enkel wat binnen het gezin gebeurt. U gaat ruimer. U zoomt in op het dorp. Want zij willen de zaak opgelost zien. De dorpelingen trekken op onderzoek. Geven commentaar. Komen met suggesties. Zoeken mogelijke daders. Daders, die volgens hen voor de hand liggen. Dat moeten die vluchtelingen zijn, die in het dorp verblijven. In een centrum. Dat kan niet anders. Getwijfeld wordt er nauwelijks. Op een voortreffelijke wijze schetst u hoe een moord een gemeenschap smeedt. Hoe een dorp na die afschuwelijke daad aaneen klit. In dat inzoomen op het dorp wordt duidelijk hoe mensen ruimte pogen te scheppen tussen de dader en de menselijke soort. Voor die dorpelingen is het bijna teleurstellend te moeten vaststellen dat het kwaad zo gewoon was. Zo klein. Dat het beest geen beest was.

 

Aan mijn collega en buur durfde ik het niet te zeggen. In deze brief durf ik het wel. Uw boek moet gelezen worden. Want het is goed. Het is zeer goed. U bent een meester in het vertellen. Toch bent u niet enkel dat. Net zo goed bent u een meester in het beschrijven. Op een sublieme wijze schetst u een relatie waaruit heel zachtjes alle liefde wegsijpelt. Een man, die door de liefde heel eventjes opnieuw zichtbaar wordt, deemstert heel geleidelijk opnieuw weg.

 

Beste Peter. Ik las uw boek. Voor dat fascinerende boek wil ik u danken. Wat ik voordien in mijn brief in vele woorden deed, doe ik in dit slot met slechts enkele woorden. Die enkele woorden zijn: bedankt, en nog eens bedankt.

 

Met vriendelijke groeten.

Foto: Het breistertje, Pluimstraat, Gent (@wimleest)


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.