Beste Hind,
Beste Fatima-Zahra,
Het schrijven van een brief gaat mij makkelijk af. De woorden stromen. De woorden vloeien. Tot vandaag ging het telkens vlotjes. De dingen die ik wilde schrijven, kreeg ik geschreven. Bijna automatisch leidde het ene woord naar het andere. Vandaag is het anders. Voelt het anders. Ik schrijf. Ik schrap. Ik schrijf. Ik schrap. Het lijkt alsof de vloeiende woorden gestold zijn en over elkaar heen liggen. Ik moet graven. Ik moet zoeken. Ik stamel. Ik stotter. Want bij elk woord weergalmt uw net gelezen verhaal in mijn hoofd. Dan voelt het alsof elk neergeschreven woord uw verhaal kleiner maakt. Dat elk geschreven woord afbreuk doet aan uw verhaal. Bij elk geschrapt woord denk ik dat het misschien beter is geen brief te schrijven. Zodat ik niet het risico loop u te kwetsen op een of andere manier. Want dat is het laatste wat ik zou willen. Dus, al schrappend en zwoegend schrijf ik deze brief. In de hoop het goede te doen.
Ai, ai, ai. Al vanaf de eerste pagina weet ik dat het pijn zal doen. Elke pagina zal hard binnenkomen. Als een mokerslag. Als een uppercut. Elke pagina zal ik wankelen. Zal ik dreigen neer te gaan. Maar wat u schrijft, drijft mij voort. Bij elke pagina moet ik denken aan die woorden van Sophie Straat. Aan die uitbarsting van Soundos El Ahmadi bij Bart Schols in De Afspraak. Om aan het eind van uw verhaal die woorden van Sophie en Soundos beter te begrijpen. Nog beter te begrijpen.
U schrijft uw verhaal. Toch gaat het verhaal veel ruimer dan enkel u. U schrijft uw verhaal voor elk meisje dat geen neen leerde zeggen. Voor elk meisje dat wel neen zegde maar niet gehoord werd. Voor elk meisje dat onder de vuisten van een fysiek sterker wezen onzichtbaar werd. U bent het doorgeefluik. U bent de megafoon. U bent de versterker. U maakt al die meisjes zichtbaar. U geeft al die meisjes een stem.
U schrijft over misbruik. Over drugs. Over verwaarlozing. Over armoede. Over eenzaamheid. Over zwangerschap. Met elk voorval wordt uw rugzak zwaarder. Er is geen enkel moment om die te ledigen. Geen enkele plek. Alles stapelt zich op. In die mate dat u tot de slotsom komt dat uw leven een hel is. U hebt geen tijd om de waarheid te zeggen aan iemand die oprecht wil luisteren. Geen tijd om in armen te liggen die troosten. Al de tijd die u hebt, investeert u in overleven. Want dat is het enige wat u kan doen. Overleven en trachten er niet onderdoor te gaan.
Wat u schrijft, komt binnen. Komt hard binnen. Uw woorden hebben impact. Toch lijkt het alsof u twijfelt aan de kracht van woorden. Daarom voegt u tekeningen toe. Geen tekeningen in frisse, vrolijke kleuren. U kiest voor grauwe, donkere kleuren. Die tekeningen versterken de rauwheid van uw verhaal. De hardheid. Die tekeningen maken uw werkelijkheid nog schrijnender. Die tekeningen schreeuwen om de aandacht van de lezer. Grijpen de lezer bij het nekvel en trekken diezelfde lezer nog dieper het verhaal in.
Hel en verdoemenis, dat is wat ik lees. En toch. Toch blijf ik hopen op een lichtpuntje. U moet het mij vergeven. Dat is het zondagskind in mij dat spreekt. Ik hoop niet op een Hollywoods happy end. Ik hoop enkel op een begin. Een keerpunt. Een kantelmoment. Dat komt er. Dat is er. In de figuur van een oudere dame. Bij die dame gaat u als poetshulp aan de slag. Zij begrijpt u. Zonder veel vragen te stellen. Eindelijk voelt u zich gezien. Voor de eerste keer.
Bij het lezen van uw verhaal stond het huilen mij nader dan het lachen. Toch is het dat wat ik doe bij de laatste pagina. Bij de laatste tekening. Dan moet ik lachen. Op die tekening zie ik uw dochter. Uitbundig lachend. In haar ogen zie ik een toekomst. Een toekomst voor haar en voor u. Ik kijk nog een keer naar die tekening. Ik kijk nog eens opnieuw. Ik besef dat uw dochter geluk heeft. Omdat ik weet dat u een goede moeder bent. Een moeder waarvan een dochter of een zoon zegt dat zij de beste moeder ter wereld is.
Ik kan uw boek dichtslaan. Met een goed gemoed. Omdat ik weet dat uw dochter u aan het redden is terwijl u voor haar de schouders bent, die u heel uw leven zocht. In het dichtslaan van uw boek hoor ik de woorden van onze premier weergalmen. Ik hoor hem zeggen dat we onze begroting op orde moeten krijgen. Dat we onze economie op orde moeten krijgen. Ik schud met mijn hoofd. Neen, zeg ik. Neen, Bart. Wat wij dringend moeten doen, is onze maatschappij op orde krijgen. Want niet iedereen heeft het geluk een oudere dame te ontmoeten die haar deur opent.
Beste Hind. Beste Fatima-Zahra. Wat ik niet zeker weet, is of ik het juiste schreef. Wat ik niet zeker weet, is of ik het goede schreef. Wat ik met grote zekerheid weet, is dat u een verhaal schreef dat moet gehoord worden. U toont. U benoemt. In alle openheid. In alle eerlijkheid. Dat vraagt moed. Dat vraagt lef. Ik ben blij dat u mij binnenliet. Dat u mij uw woorden aanreikte. Daarvoor wil ik u danken. Van ganser harte. Dank dus. Dank. Dank. Dank.
Met vriendelijke groeten.
Reactie plaatsen
Reacties