Uitgelezen: Erebus, het verhaal van een schip. Brief aan Michael Palin.

Gepubliceerd op 3 juni 2019 13:19

Beste Michael,

 

Wat ik later wilde worden. Dat werd mij wel eens gevraagd. Door tantes en nonkels. Door peter en meter. Door onderwijzers. Zij wilden dat graag weten. Om mijn ambitie te peilen. Ambitie moet best vroeg aanwezig zijn. Om dan later niet al te snel aan de kant gezet te worden. Het leven, het kan soms een struggle zijn. Al snel had ik door dat politieagent of brandweerman toch getuigde van een gebrek aan fantasie. Te weinig origineel, zo werd dat antwoord algemeen beschouwd. Om mijn vraagsteller of vraagstelster ter wille te zijn, besefte ik dat ik origineel diende te zijn. Daarom had ik altijd mijn antwoord klaar. Op die meermaals herhaalde vraag antwoordde ik steeds hetzelfde. Zonder verpinken. Ontdekkingsreiziger, dat wilde ik worden. Om aan te tonen dat mijn droom geen simpele bevlieging was, voegde ik er aan toe dat ik in de voetsporen wou treden van Vasco da Gama. Christoffel Columbus. James Cook. Roald Amundsen. Ik was een kind. Ik wist niet beter.

 

Sir James Clark Ross? Sir John Franklin? Deze heren ontdekkingsreizigers waren mij onbekend. U moet het mij vergeven. Als broekventje stonden deze namen niet op mijn lijstje van idolen. Ik kende hen totaal niet. Daarin kwam pas nu verandering. Toen ik uw boek las. Na het lezen besefte ik wat Raul Amundsen over deze mannen had gezegd. Deze mannen waren helden. In de geschiedenis van de zeevaart zijn er slechts weinig zeelieden die zo lang zulke extreme omstandigheden hebben moeten doorstaan. Zij vaarden naar het zuidelijk halfrond. Het antarctisch gebied. Zij vaarden naar het noordelijk halfrond. De noordwestelijke doorvaart. De zucht naar heroiek dreef deze mannen ver. Heel ver. Onversaagd, zo leken ze wel.

 

Het was de tijd na de Napoleontische oorlogen. De discussie over de rol van de Royal Navy woedde volop. Dat debat leidde tot een nieuwe rol voor de Britse zeemacht. Nieuwe tijden, nieuwe uitdagingen. Zo leek het opperbevel te denken. De honger naar militaire eer leek gestild. De honger naar wetenschappelijke kennis bleek groter. De niet-militaristische tak van de zee-activiteit kreeg de bovenhand. Het leek alsof de Royal Navy zich ging herbronnen. Het vergroten van de geografische en wetenschappelijke kennis via onderzoeks- en ontdekkingsreizen werd de nieuwe uitdaging. De nieuwe rol was gedefinieerd. Was afgelijnd.

 

U wilde dat verhaal vertellen. U wilde het verhaal vertellen van Sir James Clark Ross. Van Sir John Franklin. Dat wilde u doen. Dat deed u ook. Maar u koos voor een omweggetje. Die marineofficieren werden niet de hoofdrolspelers in uw boek. U koos voor een andere protagonist. U koos voor dat ene schip. De Erebus. Het schip dat Ross naar het zuidelijke halfrond voerde. Het schip dat Franklin naar het noordelijke halfrond bracht. Dat schip bracht die twee personen samen. Op dat schip kwam het leven van beide officieren tot een hoogtepunt. Voor de één een climax. Voor de ander een anticlimax.

 

Om dat verhaal te vertellen begint u bij het begin. Zo is het altijd al geweest. Geen verhaal zonder een begin. U keert terug naar Pembroke Dockyard. Een scheepswerf in Wales. Daar wordt de Erebus ‘geboren’. U eindigt het verhaal in het Canadese Noordpoolgebied. Daar eindigt het verhaal. Daar is de Erebus ten onder gegaan. Gestorven als het ware. Tussen beide punten ligt het eigenlijke levensverhaal van dat ene schip. Dat verhaal vertelt u. Met verve. Als een echte verhalenverteller.

 

U vertelt over die lange periode van werkloosheid. U vertelt hoe het schip stilletjes dreigde weg te kwijnen. Maar dan toch werd uitgekozen als vlaggeschip van twee expedities, die zouden uitgroeien tot ware huzarenstukjes. Een schip komt tot leven. Een schip mag eindelijk datgene doen waarvoor het ooit gemaakt werd. Het mag varen. Het mag zeilen. Het schip mag eindelijk zijn bemanning ontvangen om samen op avontuur te trekken. Want dat is wat het zal worden. Een avontuur. Een groot avontuur.

 

U vertelt over de selectie van de bemanning. Hoe de officieren worden gekozen. Hoe de matrozen worden gekozen. U vertelt het verhaal van carrières. Van ambities. U brengt ons binnen in dat kleine wereldje. Dat wereldje waar ons ons kent. U laat ons in dat wereldje binnendringen. Meer nog, u laat ons inschepen. U stelt ons voor aan de bemanningsleden. Mannen voor wie het leven op zee de reden van bestaan is. De enige reden van bestaan. Onder hen mengen wij ons. Wij luisteren naar hun verhalen. Naar hun dromen. Naar hun verwachtingen. Naar hun angsten. Stilletjes worden wij deel van de bemanning. Wij weten wat te doen. Wij weten wanneer we het moeten doen. Wij zijn op de juiste tijd op de juiste plek. Jawel, stilletjes aan vervellen wij tot matrozen.

 

Wij zijn getuige van bijna verdrinkingen. Van reddingspogingen. Van overboord zwiepen. Wij zijn getuige van deserties. Van stormen. Van hoge golven. Wij gaan aan land voor korte rustpauzes. Op Kergueleneiland. Op Van Diemensland. Op de Falklands. Samen met de bemanning rusten wij uit. Om dan weer aan boord te gaan. Om samen met de andere bemanningsleden opnieuw dat eenzame bestaan op zee aan te vatten. Het is hard. Het is zwaar. Zowel fysisch als psychisch. Dit is een topprestatie. Zo veel is zeker.

 

Maar dan komt dat moment. Kan het overmoed genoemd worden? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat een ontdekkingsreis plots het einde van een reis wordt. Voor het schip. Voor de bemanning. Een ontdekkingsreis wordt de dood. Voor alles en iedereen. Een schip met bemanning verdwijnt plots. Plots wordt alles weggevaagd. Uitgevaagd. Paniek. Totale paniek. Reddingsacties worden op het getouw gezet. Een zoektocht naar de redenen voor de ondergang wordt begonnen.

 

U gaf het schip wat het schip verdiende. U gaf het schip een uitvaartdienst. U gaf de vergeten bemanning een gezicht. U bracht hen opnieuw tot leven. Heel even mochten deze zeevaarders weer de helden van toen zijn. U deed dat met overtuiging. Afstand vermeed u. Die was er niet. U zat er midden in. Alsof u aan de zijde stond van Sir James Clark Ross. Alsof u aan de zijde stond van Sir John Franklin. Samen met u keerden wij terug naar het midden van de negentiende eeuw. Toen het superioriteitsgevoel van Groot-Brittannië op zijn hoogtepunt was. Toen datzelfde land dacht dat zij het meest geschikt waren om op te treden als hoeder van de wereld. Naar die tijden bracht u ons terug.

 

Beste Michael. U schreef een reisboek. U schreef een avonturenroman. U schreef een biografie. U schreef een historische roman. Al die boeken heb ik gelezen. Al die boeken die u samenbracht in dat ene boek. Uw nieuwste boek. Het was een adembenemende reis. Het was een inspannende reis. Het was een leerrijke reis. Het was een emotionele reis. Op die reis was u de perfecte gids. U vertelde verhalen zoals verhalen moeten verteld worden. Voor die buitengewone krachttoer wil ik u danken. Wil ik u van ganser harte danken. Nog één wens heb ik. Nog één verzoek. Als je heel binnenkort nog eens op reis vertrekt, bel mij. Ik zal niet aarzelen. Ik zal mijn koffers pakken en in uw voetsporen treden. Dat weet ik zeker. Dat weet ik heel zeker.

 

Van ganser harte bedankt. Dat had ik al twee maal gezegd. Maar drie maal is scheepsrecht.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.