Uitgelezen: Heel de tijd. Brief aan Leo Pleysier.

Gepubliceerd op 27 mei 2019 13:01

Beste Leo,

 

Heel waarschijnlijk zal u het niet weten. Niet beseffen. U zal daarom verbaasd opkijken als ik beweer dat ik in het verleden al enkele keren met u ben opgetrokken. U hoeft dit niet letterlijk op te vatten. Geen paniek. U hoeft zich geen zorgen te maken. Ik zat niet lijfelijk met u aan tafel. Of aan de toog. Alleen, voor mij voelde het zo. Ik had dat gevoel toen ik Wit is altijd schoon las. Ik had datzelfde gevoel toen ik Volgend jaar in Berchem las. Telkens voelde het alsof ik bij u aanschoof. Aan de toog. In een bruine kroeg. Want dat zijn de plekken die het meest uitnodigen tot een goed gesprek. Dat goed gesprek had ik. Al moet ik wel bekennen dat u meestal aan het woord was. Mijn rol beperkte zich tot knikken. Ik schudde lichtjes met het hoofd om aan te geven dat ik mee was in uw verhaal. U was de verteller. Ik was de luisteraar. Dat leek mij de juiste taakverdeling. Dat leek het best te werken.

 

Onlangs klopte ik opnieuw aan bij u. U had net uw nieuwste boek Heel de tijd uitgebracht. Wij moesten opnieuw op stap. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Die afspraak wordt niet zomaar een feit. Aangezien die afspraak niet werkelijk plaatsvindt, moet u als schrijver de omstandigheden creëren. Moet u in mijn hoofd dat gevoel doen ontstaan alsof wij bij elkaar op schoot zitten. De kracht van het boek. De kracht van de taal. U begrijpt het wel. Twee keer was u het reeds gelukt. Zou het ook een derde keer lukken?

 

Laat mij u maar meteen geruststellen. Het lukte u opnieuw. Dat zou u niet mogen verrassen. Want toch steeds wordt beweerd dat de derde keer ook de goede keer is. Het wonder geschiedde. Opnieuw. Uw boek was een uitnodiging. Een uitnodiging, die ik maar al te graag aanvaardde. U stak uw hand uit. Ik nam die aan. Zo werd het mij altijd geleerd. Een uitgestoken hand mag men niet weigeren. U ziet, ik ben welopgevoed. Het heeft mijn ouders bloed, zweet en tranen gekost maar al dat vocht heeft toch geresulteerd in een nette jongen. Ik nam uw hand aan en samen gingen wij op stap. Naar die ene toog. In die ene bruine kroeg. Zo voelde het alweer. Jawel, ik was tevreden.

 

Opnieuw was u de verteller. Opnieuw hing ik aan uw lippen. Geen enkel woord miste ik. Alles nam ik in mij op. Ik inhaleerde uw woorden. Hoe dat komt? Ik weet het niet. Ik kan het enkel trachten te beschrijven. In het volle besef dat die beschrijving zal tekortschieten. Dat die beschrijving onvolledig zal zijn. Laat mij daarom maar beginnen met een dooddoener. U bent een geboren verteller. Ik weet het, dat compliment wordt al te gemakkelijk gemaakt. Nochtans is het geen evidentie. Vertellen is een gave. Een talent. U beheerst dat talent als geen ander. Als een echte vakman vertelt u uw verhalen. U vindt de juiste woorden. De juiste taal. Een schrijftaal die eerder een spreektaal lijkt. Waardoor het gevoel dat wij bij elkaar zitten enkel maar wordt bestendigd. U weet ook op het juiste moment het juiste woord op de juiste plaats te zetten. Waardoor u uw verhaal steeds weer die onverwachte soms humoristische draai geeft. Vertellen is een kunst. U bent een kunstenaar.

 

U vertelt over uw dorp. Over uw school. Over uw vrienden. U vertelt over geuren. Over foto’s. Over begraafplaatsen. U vertelt over Brussel. Over Expo 58. U vertelt over gesprekken met God. Over crematie en verstrooiing. U vertelt over vragen die u had als jongere. Over priesters. Over opstellen. Elk verhaal vertelt u op die ene wijze. Die ene wijze waardoor ik mij ook betrokken partij voel. Uw verhalen worden mijn verhalen. Uw verhalen doen mij terugdenken. Ik keer terug naar mijn dorp. Naar mijn school. Ik keer terug naar mijn vrienden. Vroegere vrienden. Huidige vrienden. Ik blijf stilstaan bij mijn verhalen. Mijn anekdotes. In uw boek lijken wij te verbroederen. Lijken wij verhalen uit te wisselen. U vertelt. Ik luister. Ik vertel. U luistert.

 

Door die wisselwerking gebeurt iets wonderlijks. Niet u bent de centrale figuur. Zo lijkt het niet. Ik word die centrale figuur. Zo voelt het wel. Met uw boek geeft u een heerlijke aanleiding om over mijn eigen leven na te denken. Om stil te staan bij die vele, korte momenten uit mijn reeds geleefde leven. Ik lees en kijk achterom. Niet angstig. Wel blijgezind. Niet met een koud hart. Wel met een warm en intens gevoel. Uw boek doet mij beseffen wat een bevoorrecht persoon ik ben. Wat een gelukzak ik ben. Ik lees uw woorden en ik word gelukkig. Neen, ik word niet gelukkig. Ik ben gelukkig. Alleen doet uw boek mij dat ten volle beseffen. Alleen doet uw boek mij dat opnieuw ten volle beseffen.

 

Het gebeurt niet vaak. Maar toch gebeurt het. Heel soms. Heel soms kan een boek mij overvallen. Kan een boek mij overrompelen. Zoals ik al zei, dat gebeurt heus niet vaak. Maar nu gebeurde het. Uw boek had een impact. In uw boek schuilt een levenskracht. Een levenslust. Een kracht en lust, die zich overzetten op mij. Uw boek steekt mij aan. Dat gevoel te mogen ervaren bij het lezen is een plezier. Een plezier dat u mij schonk. Als ik iemand zou moeten vertellen waarom hij of zij een boek zou moeten lezen, zou ik zwijgen. Ik zou hem of haar uw nieuwste boek geven en hopen dat zij hetzelfde mogen ervaren als ik. Dan zouden zij het begrijpen. Dan zouden zij het onmiddellijk begrijpen. Zij zouden mij aankijken en knikken.

 

Beste Leo. Ik wil u danken voor uw nieuwste boek. Ik wil u danken dat u mij opnieuw meenam naar die ene kroeg. Ik wil u danken dat u mij die heerlijke verhalen vertelde. Dat u mij deelgenoot maakte van uw wijsheden. Kleine en grote. Met spijt trok ik de deur van die kroeg achter mij dicht. Ik kan enkel uitkijken naar een volgend moment. Een moment waarop ik die deur opnieuw mag opentrekken. Intussen kan ik u enkel van ganser harte danken voor de mooie en fijne woorden. Woorden, die u samenbracht in verhalen en verhaaltjes. Daarom en enkel daarom: bedankt. Bedankt. Bedankt.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.