Uitgelezen: Reizen volgens Hannema. Brief aan Iris Hannema.

Gepubliceerd op 20 mei 2019 16:38

Beste Iris,

 

U stelde zich die ene vraag. Of neen, laat het mij anders formuleren. Ik zou niet graag degene willen zijn die u ervan beschuldigt in het leven slechts één vraag te hebben. Van die al te lichtzinnige inperking van de volheid van het leven wil ik u niet beschuldigen. Ik ben een aimabel mens. Controverse tracht ik te vermijden. Een brief vraagt om duidelijkheid. Om eenduidige interpretatie. Omdat onze communicatielijn niet van in den beginne zou verbroken worden, zal ik mij tot grotere duidelijkheid verplichten. Zodat wij verder vrijuit kunnen praten. Uit een arsenaal aan levensvragen pikte u er die ene uit. Die ene vraag die de basis zou vormen voor uw nieuwste boek. U vroeg en vraagt zich af waarom u reisde. Waarom u telkens weer vertrok. Die vraag breidt u verder uit. Die vraag wordt groter. U vraagt zich af wat een reiziger is. Of die reiziger bestaat. U vraagt zich af of reizen kan gelijkgesteld worden met weglopen. U vraagt zich af of reizen een talent is of dat het toch kan aangeleerd worden. Het lijken misschien vreemde vragen. Gekke vragen. Heel misschien zou men kunnen denken dat het overbodige vragen zijn. Dat zijn deze geenszins. U bent een reisschrijver. Een wereldreiziger. U reist om den brode. Deze vragen leunen dus sterk aan bij wie u bent. Bij wat u doet. In een open sfeer doet u aan zelfonderzoek. Een potentiële lezer(es) zou dan al snel kunnen gaan denken dat heel dit boek een nogal zelfzuchtige oefening is. Dat is het niet. Zeer zeker niet. Ik kan en wil die potentiële lezer(es) geruststellen. Ik ben geen reisschrijver. Geen wereldreiziger. Toch zeker niet in die mate waarin u de wereld rondreist. Ondanks dat kleine verschil heb ik uw boek met veel plezier gelezen. Met veel ‘goesting’.

 

Om een vraag juist en volledig te kunnen beantwoorden, moet het onderwerp van de vraagstelling netjes afgelijnd worden. Ik ben de zoon van een leraar. De zoon van een lerares. Voorgaande woorden werden mij met de paplepel ingegeven. Niet zomaar snel en blindelings een antwoordje afratelen. Er moest eerst nagedacht worden. Diepzinnig en lang. Het lijkt alsof u die raadgeving ook ter harte hebt genomen. U bakent netjes af wat onder het reizen kan begrepen worden. In dat afbakenen komt u tot vele definities. U schrijft dat reizen kan omschreven worden als ingebed zijn in het gevoel totaal ontvreemd te zijn. Reizen kan in zich de behoefte dragen een ander te willen zijn. Bovendien stelt u dat reizen niet moet gelijkgesteld worden met de beweging van het reizen. Wel met het moment dat de bagage wordt neergezet en de tijd wordt genomen ergens te zijn. Jawel, het reizen kan aangevoeld worden als een poging om het leven toch maar niet keurig langs ons heen te laten glijden. Vele definities. Die elk op zich weer vele vragen oproepen. Dat is eigen aan de zoektocht naar een antwoord. Telkens als we menen het antwoord gevonden te hebben, is er alweer een volgende vraag. Een volgende vraag die het vorige antwoord op losse schroeven zet. Maar geen nood. U formuleert helder. U blijft bij de les. U laat zich niet afleiden. U komt tot de kern van de zaak. U komt tot een antwoord. Een antwoord dat ik niet zal prijsgeven. Ik wil het leesplezier van de potentiële lezer(es) niet vergallen. Dat zou misdadig zijn. Niemand mag het plezier van het lezen verknallen. Zelfs degene niet die meent enkele woorden over een boek te moeten schrijven.

 

Het kan allemaal nogal zwaar op de hand lijken. Dat is het niet. Want u verstaat de kunst om de zwaarte toch enigszins luchtig te maken. U ontlucht die zwaarheid van het thema met een hele reeks overpeinzingen. U weidt uit over de kracht van het zwijgen. De kracht van de diplomatie. U hebt het over herinneringen. Hoe die verkleuren. Bijkleuren. Door afstand. Door tijd. U schrijft over fotograferen. U stelt dat de fotograaf vaak niet zelf wil kijken maar dat diezelfde fotograaf het aan anderen wil laten zien. U vraagt zich af of vrijheid zich eerder vertaalt in onaangepastheid dan wel in het zich voegen naar de stroom. U denkt na over zonnebrillen. Alsof zij een bescherming bieden tegen het leven. Alsof men het zonder niet onder ogen durft te zien. U reflecteert over de taal. Over het spreken en niet spreken van een taal. Over het begrijpen van een taal.

 

U schrijft over het legaliseren van drugs. Over integratie. Over ongelijkheid. Over Afrika en de schuld van het Westen. Over racisme. Over China. Over de toekomst van het reizen. Over de bescherming van het milieu en de effecten op de lokale bevolking. Over stereotypes. U schrijft over vele dingen. Dingen, die ook de lezer(es) tot nadenken dwingen. Dingen, die de lezer(es) misschien uit zijn of haar comfortzone duwen. Omdat uw ideeën anders zijn. Dat hoeft niet shockerend te zijn. Dat hoeft niet ontwrichtend te zijn. Het mag misschien beschouwd worden als een oefening in luisteren. Reizen is, zo schrijft u, het loslaten van ideeën. Om te kunnen reizen moeten we niet oordelen. Niet vergelijken. Niet veroordelen. Een open geest. Een vrije geest. Dat ademt uw boek.

 

Tijdens het lezen van het boek kreeg ik een gek idee. Ik wou de wagen instappen. Ik wou naar de Franse Alpen rijden. Tot bij u. Tot bij Francisque, uw geliefde. Omdat ik het gevoel had dat met het boek nog niet alles was gezegd. Ik wou napraten. Zoals ik dat wel eens heb bij een goed feestje. Dan wil ik nog wat rondhangen. Bij een pintje wil ik de voorbije avond nog eens herbeleven. Dat had ik nu ook. In die Franse Alpen wou ik het niet zozeer hebben over het reizen. Ik wou het hebben over de liefde. Want daarover schrijft u ook. Tussen de regels. Tussen de vele overpeinzingen. U lijkt mij een wijze vrouw. U lijkt mij een gelukkige vrouw. Met wijze, gelukkige mensen is het altijd prettig een gesprek te voeren. Een Franse kaas en een Franse wijn zou die pret nog verder bevorderen. Jawel, daar hoog in de bergen zou het best wel gezellig worden. Ik zou dan huiswaarts keren. In het besef twee vrienden voor het leven te hebben gemaakt. Dit alles kan u misschien vreemd lijken. Maar dat gevoel overviel mij bij het lezen van uw boek. Het gevoel dat wij vrienden zouden kunnen zijn.

 

Beste Iris. Wij zullen elkaar heel waarschijnlijk niet ontmoeten. Nooit ontmoeten durf ik niet te schrijven. Want dat mag niet gezegd worden. Nooit nooit zeggen. Met uw boek kwam ik heel dicht bij u. Voor die meer dan fijne ontmoeting wil ik u danken. Voor dat meer dan fijne boek wil ik u danken. Van ganser harte.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.