Uitgelezen: De orde van de dag. Brief aan Eric Vuillard.

Gepubliceerd op 21 januari 2019 16:57

Beste Eric,

 

Een inleiding? Het zou noodzakelijk zijn. Bedoeld om de lezer voor te bereiden op wat verder in de brief zal volgen. Om diezelfde lezer gerust te stellen. Of net te waarschuwen. Ik ga voorbij aan die noodzakelijkheid. Deze brief zal geen inleiding hebben. Nochtans had het nuttig kunnen zijn. In die inleiding had ik kunnen zeggen dat uw boek bekroond werd met de Prix Goncourt 2017. Meer nog, ik had kunnen zeggen dat u reeds meerdere prijzen won met uw oeuvre. De Ignatius J. Reillyprijs, de Franz Hesselprijs en de Valery Larbaudprijs. In die inleiding had ik kunnen besluiten dat al die prijzen bewijs leveren van uw literaire vakmanschap. Helaas. Ik schrijf geen inleiding bij deze brief. Al die dingen zullen dus niet gezegd worden. Omdat ik het zo snel mogelijk over uw boek wil hebben. Want dat boek verdient alle lof.

 

In uw boek neemt u mij mee naar het gebouw in de Rijksdag. Ik schuif bij aan tafel met Duitse topfabrikanten en nazi-hoogwaardigheidsbekleders. Ik zie hoe zij vlotjes en zonder aarzelen een blanco cheque uitschrijven. Als sponsoring van de nazipartij. Ik treed in de sporen van Lord Chamberlain. Ik stel vast hoe zijn politiek van appeasement synoniem staat voor ziende blindheid. Met de Oostenrijkse kanselier Schuschnigg ga ik naar Berchtesgaden. Ik voel hoe hij vernederd wordt door Adolf Hitler. Ik word uitgenodigd bij Lord Chamberlain in Londen. Voor een intiem diner. In het gezelschap van von Ribbentrop. Toen nog ambassadeur. Later zou hij minister van Buitenlandse Zaken worden. U betrekt mij bij de onderhandelingen, die zullen uitmonden in het Verdrag van Munchen. Ik hoor hoe de onderhandelaars een soort van paradijstaal spreken. Een taal, waarin de werkelijkheid wordt ontkend. Ik voel hoe bij die onderhandelingen een raadselachtig respect heerst voor de leugen. Ik volg de annexatie van Oostenrijk. Ik stel vast hoe het beeld van de onoverwinnelijke Wehrmacht fel contrasteert met de werkelijkheid. Een oppermachtig gemotoriseerd leger rijdt zich vast. Een blitzkrieg loopt dood in verkeersopstoppingen.

 

Ik lees al die verhalen. Bij die vele verhalen moet ik telkens denken aan die ene hit van Gorki. Soms vraagt een mens zich af. Aan die woorden moet ik telkens weer denken. Want ik vraag mij vele dingen af. Telkens vraag ik mij af hoe het toch komt dat al die hoofdrolspelers in dat ene stuk van de geschiedenis met open ogen en vastberaden op de afgrond afstormen. Het lijkt alsof de werkelijkheid en de verschrikkelijke toekomst enkel gezien wordt door de burgers. De politici lijken hun hoofden weg te draaien van die realiteit. Waarom? Het antwoord kan ik enkel vinden in de titel van uw boek. De orde van de dag. Politici kijken niet verder dan hun neus lang was. Iedereen doet maar wat. Iedereen kijkt nauwelijks vooruit. Lijkt zich onbewust van de gevaarlijke ontwikkelingen. Iedereen lijkt vast te zitten in zijn of haar bubbel. Een bubbel, waarin de werkelijkheid niet kan doordringen. Onbenulligheden leiden af van de essentie. De wereld stormt af op een wereldoorlog en nergens gaat ook maar één alarmbel af.

 

U lijkt mijn onbegrip te delen. Meer nog, u bent verontwaardigd. Die verontwaardiging sluipt in uw taal. Uit uw woordkeuze kan ik uw gevoelens afleiden. Uit uw zinsconstructie kan ik afleiden hoe u aankijkt tegen de verschillende hoofdrolspelers. Ik voel uw minachting tegenover die Duitse topfabrikanten. Meer nog voel ik uw misprijzen als u schrijft hoe niemand van die fabrikanten ooit ter verantwoording werd geroepen. Maar het zijn niet enkel de fabrikanten, die u behoorlijk kritisch benadert. Die zin voor kritiek vind ik terug als u schrijft over de politieke opponenten van Hitler. In uw ogen zijn het lichtgewichten, die in de verkeerde gewichtsklasse boksen. De manier waarop u de ontmoeting beschrijft tussen Schuschnigg en Hitler is bijzonder hilarisch. Een opendeurenkomedie, zo lijkt het wel.

 

Uw boek is slechts een boekje. Een mens zou uit het gebruik van dat ene verkleinwoordje de verkeerde conclusies kunnen trekken. Dat zou die mens niet mogen doen. Want u bewijst dat schoonheid geen vele pagina’s behoeft. U slaagt er in om in die honderddrieënveertig pagina’s een schrijfstijl aan te houden, die imponeert. Elk woord staat op de juiste plaats. Zoals een tuinarchitect elke plant op de juiste plek voorziet om op die manier tot een prachtige tuin te komen, doet u dat met woorden. Om zo tot een prachtig boek te komen. Want dat is wat u schreef. In een wervelende taal trekt u de lezer mee in een verhaal, dat iedereen meende te kennen. Maar u legt nuances. U ontkracht. U stelt bij. Het aloude gekende verhaal krijgt een ander jasje aangemeten.

 

Beste Eric. U moet het mij vergeven. Ik schreef geen inleiding. Maar ik wou meteen over uw boek beginnen. Omdat ik diep onder de indruk was. Van het verhaal. Van de taal. Van de stijl. Dat wou ik vertellen. Dat wou ik u schrijven. Ik hoop dat ik daarin gelukt ben. Rest mij dan nog dat ene ding. Het einde van mijn brief. Dat wil ik kort houden. Ik wil u danken voor dat pareltje, dat u mij geschonken hebt. Ik heb genoten.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.