Uitgelezen: Petite. Brief aan Edward Carey.

Gepubliceerd op 23 juni 2021 om 13:17

Beste Edward,

 

Madame Tussauds.  Ooit ben ik er geweest.  Alleen weet ik niet meer waar het was.  Was het in Amsterdam? Was het in Londen? Ik twijfel.  Ik durf het niet te zeggen.  Wel kan ik mij nog herinneren dat ik vlotjes op de foto ging met de internationale sterren.  Ik weet niet of u net zo vlotjes op de foto ging.  Want u bent er ook geweest.  Wij hebben dus iets gemeenschappelijks.  Alleen is er toch dat ene, minieme verschil.  U was geen toerist.  U was een werknemer.  U hebt nog gewerkt bij Madame Tussauds.  Na uw studies.  U zal dus geen tijd gehad hebben om de meest stupide houdingen aan te nemen bij de internationale sterren.  U diende uw tijd nuttiger te besteden. 

 

Lange tijd hebt u niet gewerkt bij Madame Tussauds.  Toch was die tijd lang genoeg om gefascineerd te raken door de oprichtster van het museum.  U raakte in de ban van Marie Tussaud.  Van Petite.  Want zo werd zij door iedereen genoemd.  Nooit werd zij Marie genoemd.  Altijd werd zij Petite genoemd.  U verdiepte zich in haar memoires.  Dat deed u niet zomaar eventjes.  Dat deed u grondig.  U reconstrueerde het leven van Marie.  Wat u niet terugvond in de geschreven memoires vulde u aan met uw fantasie.  Voorwaar een hele klus.  Vijftien jaar lang hebt u gezocht en geschreven.  Om pas dan uw bloed, zweet en tranen in de vorm van een boek aan de lezer te kunnen voorleggen.  Dat is een hele tijd.  Dat is een behoorlijk lange tijd.

 

Nooit had ik het kunnen vermoeden.  Nooit had ik het durven denken.  Maar Marie Tussaud voert mij terug naar de tweede helft van de achttiende eeuw.  In die tijd leefde zij.  U brengt die tijden opnieuw tot leven.  Aanvankelijk kabbelt het leven rustig voort maar wanneer zij verhuist van Bern naar Parijs komt zij terecht in het oog van de storm.  Parijs beleeft woelige tijden.  Revolutie dreigt.  In die donkere tijden probeert zij zich overeind te houden.  Samen met dokter Curtius, die Marie na het overlijden van haar beide ouders onder zijn hoede neemt, stampen zij een wassenbeeldenkabinet uit de grond.  In Parijs.  Marie wordt de assistente.  Zij assisteert de dokter in het creëren van de wassenbeelden.  Als zij niet assisteert, tekent zij.  Dingen uit het atelier.  Terwijl zij tekent, leert zij.  De namen.  Van botten.  Van organen.  Op een aangename manier raakt zij vertrouwd met de anatomie van de mens.  De dokter is een goede leermeester.  Marie is een goede studente.  De kennis en de ambacht maakt zij zich eigen.  Maakt zij zich vertrouwd.

 

Het wassenbeeldenmuseum wordt een succes.  De Franse Revolutie dreigt roet in het eten te gooien.  De ondergang dreigt.  Nauwelijks kunnen zij het hoofd boven water houden.  Maar dan is er die wetmatigheid die zegt dat ook tegenslagen kansen bieden.  Zij weten die kans te grijpen.  Zij schakelen om.  Geen hoofden meer van filosofen.  Geen hoofden meer van andere wijsneuzen.  Voortaan richten zij zich op de hoofdrolspelers van de Revolutie.  De echte hoofden, die van de guillotine rolden, werden hen aangeboden.  Om een afdruk te maken.  Om een wassenbeeld te maken.  Onder die hoofden enkele grote namen als Marat en Robespierre.  Dat werk hield hen aan de slag.  Dat werk hield hen overeind.

 

Toch vertelt u niet enkel de geschiedenis van het wassenbeeldenkabinet.  U biedt ons ook een zicht op het leven van Marie.  Geen gemakkelijk leventje.  Heus niet.  Het lijkt alsof zij in de echte wereld haar weg niet vindt.  Die echte wereld lijkt zij niet te begrijpen.  Zij is schuw.  Weet niet hoe om te gaan met mensen.  Heel anders wordt het als zij oog in oog staat met haar wassenbeelden.  Dan zien wij de passie.  Dan voelen wij de passie.  Tussen die beelden is Marie op haar best.  Dan lijkt zij tot leven te komen.  Dan lijkt zij door niets gestoord.  Zij creëert.  In die creaties lijkt zij het onvolmaakte volmaakt te maken.  De eigenaardigheden van een menselijk gelaat weet zij te vatten en perfect weer te geven.  Zij heeft oog voor het detail.  Niks ontgaat haar. 

 

Bijna zouden wij denken dat zij geslaagd is in haar leven.  Maar dat zouden wij denken als wij enkel aandacht hebben voor haar professionele leven.  Als wij onze blik richten op haar persoonlijke leven wordt het beeld minder fraai.  Dan zien wij de kwetsuren.  Dan zien wij de wonden.  Want die zijn er.  In groten getale.  Maar toch zijn er altijd op die belangrijke momenten mensen waaraan zij zich kan optrekken.  Mensen die haar een uitweg bieden.  Waardoor zij weer voor heel even verder kan.  Waardoor voor heel even het licht gaat schijnen.  Lichtjes, niet fel.  Haar hoofd erbij neerleggen doet zij niet.  Zij blijft doorgaan.  Zij blijft vechten.  Een overlever, dat is zij.  Dat is misschien het enige waarin zij zich ten volle bekwaamt: overleven. 

 

Marie.  Dat kleine vrouwtje.  Met een overmaatse kin.  Met een overmaatse neus.  Voor dat vrouwtje groeit mijn respect.  In haar verhaal lees ik niet enkel kommer en kwel.  In haar verhaal lees ik bovenal die altijd aanwezige wil te leven.  Omdat zij enkel bij leven kan creëren.  Creëren is haar passie.  Die passie is wat haar drijft.  Daarom blijft zij doorgaan.  Daarom geeft zij nooit op.  Ambitie is haar motor.  Zelfs in de meest donkere tijden blijft die ambitie intact.  Een ambitie die haar eindelijk zal brengen naar de stad die haar het grote succes zal brengen.  Een ambitie die haar uiteindelijk naar Londen zal voeren.

 

U voert mij naar de achterbuurten van Parijs.  U toont mij de verstotenen.  De mismaakten.  De ellendelingen.  U toont mij de moordenaars.  De bandieten.  De rovers.  U voert mij van de achterbuurten naar de elite.  Van Parijs brengt u mij naar Versailles.  U laat mij kennismaken met de hofhouding van Lodewijk XVI.  U toont mij de armoede.  U toont mij de rijkdom.  In die wereld plaatst u dat ene vrouwtje.  Dat ene vrouwtje, dat u aan mij voorstelt.  Dat ene vrouwtje, waarvan u het verhaal vertelt.  Dat ene vrouwtje waarvan ik nooit vermoed had dat zij achter Madame Tussauds schuilging.

 

U schonk mij niet enkel een boek.  U schonk mij een vrouw, die ik tijdens het lezen ging koesteren.  Een vrouw, waarvan ik tijdens het lezen ging houden.  Ik wou mij ontfermen over haar.  Ik wou haar die schouder bieden waarop zij kon uithuilen.  Ik wou voor haar die rots in de branding zijn.  Ik wou voor haar die man zijn die het leven lichter maakte.  Dat alles heb ik niet kunnen doen.  Ik ben slechts een lezer.  Maar door uw boek te lezen heb ik haar voor eventjes opnieuw het leven geschonken.  Dat alleen al vind ik een troost. 

 

Beste Edward.  U schonk mij een boek.  U schonk mij een verhaal.  U schonk mij Marie.  Petite.  Voor dat alles wil ik u danken.  Uitgebreid en van ganser harte.

 

Met vriendelijke groeten.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak een Gratis Website met JouwWeb