Beste Kiwi,
Whale Watch. In Kaikoura. Dat is wat wij vandaag gaan doen. Wij gaan de zee op. De Stille Oceaan. Helaas zak ik niet inschepen. Ik stap de boot niet op. Mijn vrees voor zeeziekte weerhoudt mij. Ik heb geen zin alles uit te kotsen terwijl de kans geen walvissen te zien wel degelijk bestaat. Ik weeg dus af om dan een beslissing te nemen. Ik blijf aan de kant. Zonder spijt. Zonder jaloezie. Het is wat het is.
Vandaag zal ik mogen ervaren dat er een hogere macht bestaat. Zonder die hogere macht te hoeven benoemen. Ik zal mogen ervaren dat er ‘iets’ is. Iets dat meevoelt met mij en daarom meent te moeten interveniëren. Wij zijn op weg naar de plek waar wij moeten inschepen. Wij rijden langs de zee. Aandachtig kijken wij uit over zee. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat … Dat is wat wij denken. Onze ogen staan op scherp. Arendsogen, dat lijken wij te hebben. Wij rijden en rijden. Tot het moment dat wij denken een walvis gezien te hebben. Wij roepen. Wij joelen. Wij juichen. De bus gaat meteen aan de kant. Wij stappen uit en gaan het strand op. Met camera. Met verrekijker. Wij zien het opnieuw. Het was geen vals alarm. Geen zinsbegoocheling. Wat wij zagen, was echt. Wat wij zagen, was een walvis. Niet zomaar een walvis. Waar wij naar kijken, is een bultrugwalvis. Een soort waarvan wordt gezegd dat het een eerder zeldzame bezoeker is van de Nieuw-Zeelandse wateren. Wij voelen ons bevoorrecht. Alsof die ene walvis ons uitgekozen heeft als zijn publiek. Een publiek voor zijn show. Voor zijn acrobatieën. Want dat is wat hij doet. Hij verrijst uit het water om dan weer op zijn rug in het water te verdwijnen. Hij blijft het herhalen. Enthousiast roepen wij. Enthousiast applaudisseren wij. Alsof wij de walvis wensen aan te moedigen. Alsof wij hem vragen te blijven terugkeren. Maar, jawel, aan alle mooie liedjes komt een eind. Maar dat gebeurt niet zonder een waardig afscheid. De bultrugwalvis neemt afscheid van zijn publiek. Met zijn borstvinnen lijkt hij ons uit te wuiven. Lijkt hij ons vaarwel te zeggen. Wij buigen dankbaar ons hoofd. Voor deze ontmoeting. Voor deze performance. Dit was uniek, zeggen wij. Beseffen wij.
Geen whale watch, dat had ik reeds geschreven. Ik kies voor een alternatief. De Peninsula Walk. Een schiereiland. Nooit eerder had ik stilgestaan bij dit woord. Ik wist wat het was. Een bijna-eiland. Maar hier wordt het mij echt duidelijk gemaakt. Ooit was de plek waar wij nu wandelen een eiland. Erosie over miljoenen jaren heeft het kanaal tussen het eiland en het vasteland gevuld met steenslag en grind. Het eiland ging zich vasthechten aan het vasteland. Het werd deel van het vasteland. Het werd een schiereiland.
Het wordt een prachtige kustwandeling. Langs kliffen en kustpaden. Ongeveer tien kilometer lang. Twee uur wandelen. Wij zien zilvermeeuwen. Pelsrobben. Dominicaanse meeuwen. Wij zien de Nieuw-Zeelandse zeebeer. Een zeebeer, die wij ook wel eens pelsrob durven te noemen. Dat alles wordt ons tijdens de wandeling aangeboden. In overvloed. Wij kijken onze ogen uit. Wij kunnen er geen genoeg van krijgen. Wij nemen onze tijd. Wij zetten ons neer. Om ten volle te kunnen genieten van wat gebeurt. De geplande wandeltijd halen wij niet. Wij zullen geen besttijd neerzetten op deze wandeling. Maar dat stoort ons niet. Haast en spoed is zelden goed, die gouden stelregel nemen wij op deze wandeling in acht.
Als alles goed en vlot verloopt, is reizen heerlijk. Maar niet alles valt zomaar te plannen. Soms zijn er factoren die de vlotheid van reizen verstoren. Soms zijn er onvoorspelbare dingen die roet in het eten strooien. Zoals vandaag. Op de weg naar Picton is een ongeval gebeurd. De weg wordt afgesloten. Wij zouden kunnen omrijden. Zonder ongeval zouden wij iets langer dan twee uur moeten rijden. Het omrijden zou vier uur extra reistijd vragen. Er wordt overlegd. Uiteindelijk wordt beslist in Kaikoura te wachten. Tot de weg weer vrijgegeven wordt. Dat betekent dat wij extra tijd hebben in Kaikoura. In afwachting stappen wij een restaurant binnen. De chef van de keuken meldt ons vriendelijk dat ze net gingen sluiten. Daarop vertellen wij ons verhaal en vragen of er toch geen mogelijkheid is nog iets te eten. Bij die vraag kijken we een beetje triest en hongerig. Het lijkt te werken. Voor gestrande reizigers maakt de chef graag een uitzondering. Wij gaan aan tafel. De chef gaat aan de potten staan en bereidt ons een heerlijke maaltijd. Met onverwachte dingen kunnen omgaan, dat is wat reizen ook kan zijn. In die onverwachte dingen fijne mensen leren kennen, ook dat is reizen.
Uiteindelijk wordt de weg opnieuw opengesteld en kunnen wij doorrijden naar Picton. Om daar dan ’s avonds, later dan gepland, te arriveren. De volgende dag moeten wij vroeg op. Opnieuw staat een wandeling op het programma. Deze keer een langere wandeling. Wij zullen een deel van de Queen Charlotte Walk afstappen. Voor de volledige route van 71 kilometer wordt drie tot vijf dagen gerekend. De route staat bekend als een van de mooiste kustwandelingen van Nieuw-Zeeland. Een bootje zal ons afzetten aan Furneaux Lodge. Vandaaruit zullen wij dertien kilometer stappen naar Punga Cove, onze eindbestemming. Daar zullen wij dan weer opgepikt worden door een bootje.
Maar vóór die wandeling houden wij halt bij het vogeleiland, Motuara Island. Dit eiland is een klein en beschermd vogelreservaat, dat volledig roofdiervrij is. Vele zeldzame vogels hebben hier hun thuis gevonden. Een boot zet ons af op het eiland. Eén enkele wandelroute voert ons omhoog naar een uitkijktoren. Bij het begin van de wandeling staan borden waarop de verschillende ‘bewoners’ van het eiland staan afgebeeld. Roodborstje. Geelkroonparkiet. Zilveroog. Waaierstaart. Toei. Belvogel. Bij het begin zijn wij er ons van bewust dat het moeilijk zal worden een van die vogels te spotten. Nog maar net maken we ons die bedenking of het roodborstje komt ons toegehuppeld. Mensenschuw is hij allerminst. Hij blijft rondhuppelen rond onze voeten. Op weg naar de top zal deze vogel onze vaste begeleider worden. De andere vogels houden zich op een afstand en lijken niet geïnteresseerd te zijn in onze aanwezigheid.
Aangekomen bij de uitkijktoren herinnert een bescheiden monument mij eraan dat een bekende mij al veel eerder was voorgegaan. Op zijn eerste reis naar de Stille Oceaan in 1770 bezocht James Cook het eiland. Het werd meer dan zomaar een bezoekje. Op de top van het eiland hees hij de Britse vlag en claimde het zuidereiland van Nieuw-Zeeland voor Groot-Brittannië. In die tijd kon dat gewoon. Wanneer vandaag een gekke president Groenland opeist, mag hij zich aan heel wat tegenwind verwachten. Land inpikken blijkt niet meer zo evident te zijn. Deze dagen gelden andere spelregels. Andere rechtsregels. Gelukkig maar. Toch moet ik erkennen dat die regels onder steeds grotere druk komen te staan in een periode waarin bullebakken de plak zwaaien.
Politiek en vakantie, het gaat niet goed samen. Het zorgt voor onrust in het hoofd. Vakantie verdraagt geen onrust. Daarom schud ik die overpeinzingen over geopolitieke spanningen van mij af. Ik focus mij op het heden. Ik dwing mij om terug in het moment te zijn. Ik dwing mij om mij heen te kijken en te genieten. Zonder mij te laten afleiden. Zonder weg te glijden. Intussen zijn wij aangekomen bij Furneaux Lodge. Wij gaan aan land. Ik voel mij een beetje zoals James Cook. Met dat verschil dat ik geen Belgische vlag hijs. Ik sta een beetje huiverachtig tegenover nationale vlaggen. Wat ik dan wel doe, is mij voorbereiden op onze wandeling naar Punga Cove. Die voorbereiding beperkt zich tot het goed schikken van mijn rugzak en het bijvullen van de drinkflessen. Als dat gebeurd is, zijn wij klaar.
Dan gebeurt dat wonderlijke. Nog maar net hebben wij Furneaux Lodge achter ons gelaten of wij worden overvallen door een stilte. Een stilte die ons gedurende de hele wandeling zal omringen. Dit te mogen ervaren is hemels. Een grote dankbaarheid nestelt zich in mij. Een dankbaarheid tegenover de natuur. Omdat ik denk dat enkel de natuur een dergelijke stilte kan afdwingen. Wandelen vertraagt. Wandelen maakt ons attenter. Bewuster. Het scherpt onze zintuigen aan. Wij worden ontvankelijker. Heel vaak houden wij halt. Niet omdat wij willen rusten. Niet omdat wij willen eten. Niks van dat alles. Wij houden halt. Gewoon zomaar. Om rondom te kijken. Om de dingen in ons op te nemen. Ik besef dat ik moet uitkijken met gekke verklaringen. Toch doe ik het. Het lijkt alsof ik in de natuur overvallen wordt door een vorm van hypersensitiviteit. Ik word wee. Ik zou zo kunnen huilen. Want terwijl ik stap, denk ik na over mijzelf. Ik kijk terug op wat voorbij is. Op wat geweest is. Alsof de natuur mij uitnodigt dit te doen. Alsof de natuur mij toestaat dit te doen. Alsof de natuur mij de tijd gunt dit te doen. Dus, jawel, ik kijk achterom. Terwijl ik achteromkijk, ervaar ik een gevoel van groot geluk. Een zondagskind, dat is wat ik ben. Dat besef overvalt mij in afzondering. Weg van alle prikkels. Weg van alle nutteloze dingen, die om nodeloze urgentie schreeuwen. Dat gevoel doet mij lichter stappen. Lichtvoetiger. Dertien kilometer lang stap ik met een brede glimlach op het gezicht.
Terwijl wij wandelen, botsen wij op een diertje. Een lieflijk diertje. De hermelijn. Toch blijkt het beestje niet zo lieflijk te zijn. Blijkbaar veroorzaakt het diertje ernstige schade aan de unieke vogelsoorten van Nieuw-Zeeland. Ooit werd de hermelijn ingevoerd door Europese kolonisten die een probleem hadden met konijnen. Konijnen vernielden landbouwgrond. Om dit gevaar in te dammen werd de hulp van de hermelijn ingeroepen. Probleem was dat die hermelijnen niet enkel op konijnen gingen jagen. De beestjes richtten hun aandacht ook op inheemse vogels. Eieren, kuikens en volwassen vogels kwamen net zozeer op het menu van de hermelijn te staan. Actie drong zich op. Grote vangprogramma’s met vallen werden opgezet. Roofdiervrije eilanden werden als natuurreservaat erkend. In 2016 werd zelfs een nationaal programma, Predator Free 2020, uitgeschreven en in werking gesteld. Bedoeling van dat programma is het land tegen 2050 vrij te maken van drie belangrijke ingevoerde roofdieren: ratten, buidelratten en hermelijnen. Dat alles wist ik niet bij mijn ontmoeting met de hermelijn. Bij die ontmoeting leek ik het diertje aardig en lief. Pas ’s avonds op mijn hotelkamer las ik de andere kant van het verhaal. Want zo is het altijd, elk verhaal heeft een andere kant.
Wij wandelden in de Marlborough Sounds. Vóór die wandeling had ik nog kunnen kiezen voor een andere optie, de Milford Sound. Ik deed het niet. Ik koos voor die ene. Ik zal dus nooit kunnen antwoorden op de vraag wat nu het mooiste is. Want had ik beide gedaan, dan zou die vraag zeker gesteld worden. Zoals ook telkens wordt gevraagd wie de beste zijn: The Beatles of The Rolling Stones, Blur of Oasis. Het zijn gekke vragen waarop men toch gedwongen wordt te antwoorden. Het zijn vragen waarbij het niet toegestaan is geen kant te kiezen. Ik prijs mij dus gelukkig dat ik slechts één van beide heb gezien. Ik kan de schoonheid van Marlborough Sounds intact laten. Ik hoef geen afbreuk te doen. Soms kan onwetendheid een zegen zijn.
De volgende dag moeten we de boot op. Met de boot varen wij van het Zuider- naar het Noordereiland. Daarvoor moeten wij de Straat van Cook over. Maar dat is voor later. Eerst dienen wij in te checken. Een formaliteit, dacht ik. Het draait anders uit. Onze koffers worden bij inchecken gewogen. Terwijl ik zonet schreef dat onwetendheid een zegen kan zijn, kan onwetendheid soms ook een probleem zijn. Want wat wij niet wisten, was dat een koffer niet meer dan 23 kilogram mocht wegen. Onze koffers wogen net iets meer. Onderhandelen was geen optie. Dingen gingen uit de koffer en verdwenen in de rugzak. Dat bleek te volstaan. Wij mochten door. Wij konden de boot. De zee was rustig. Dat blijkt een rariteit te zijn want de Straat staat bekend als een woelige zee. Als wij weten dat de bijnaam van Wellington Windy Welly is, zou het ons niet mogen verbazen. Maar de weergoden zijn ons gunstig gestemd en houden de zee kalm. Geen zeeziekte. Geen zeebenen. Gezond en wel gaan wij in Wellington aan wal.
Wellington. De hoofdstad. Een titel die de stad enkel te danken zou hebben aan haar centrale ligging. Meer dan die centrale ligging heeft de stad niet te bieden. Dat ga ik beseffen wanneer ik door de stad wandel. De Waterfront kan nog enigszins bekoren. Het nationale museum van Nieuw-Zeeland Te Papa Tongarewa weet nog te overtuigen. Maar dan valt het stil. Net zoals het centrum van de stad. Het is een zaterdag. Dan mag men een bruisende binnenstad verwachten. Helaas, niks van dat alles. Cuba Street, de straat van pubs en restaurants, is uitgeleefd en weinig aantrekkelijk. Zelfs de grootste en bekendste winkelstraat, Lambton Quay, lijkt doods. Het is jammer om te zeggen maar de titel van hoofdstad had grotere verwachtingen gecreëerd. Grotere verwachtingen die de stad niet kan inlossen. Maar wij treuren niet. Wij treuren helemaal niet. Morgen reizen wij verder. Naar Taupo. Langs Napier.
Beste Kiwi. U mag mij mijn strenge oordeel over uw hoofdstad niet kwalijk nemen. Eerlijkheid duurt het langst, dat is wat mijn ouders zeiden. Die wijze levensles neem ik ter harte. Toch wil ik mijn brief niet eindigen met een kritische toon. Eerder wil ik zalvend afsluiten. Sta mij daarom toe te zeggen dat nog mooie dingen in het verschiet liggen. We reizen dus blij en goedgemutst verder.
Met vriendelijke groeten.
PS: Als ik dan toch gedwongen word te kiezen, kies ik voor The Rolling Stones en Blur.
Reactie plaatsen
Reacties